Soms wordt het wereldnieuws me een beetje teveel en trek ik mij terug in mijn miniparadijs. Zo ook deze warme dag in de lente. Ik zit op de palletbank onder de kleine overkapping aan het einde van mijn tuin. Het is een heerlijke plek. Verscholen achter het groen. Ver boven mij klinken de gierzwaluwen. Hun speciale hoge geluid doet je al snel denken aan vakanties in Zuid-Europa.
Tegen de schuur aan hangt een nestkastje. Daar is een pimpelmeespaartje ingetrokken. Sinds een week vliegen pa en ma mees, af en aan, met snaveltjes vol lekkere hapjes. Ik kijk naar ze, diep geroerd door hun schattige schoonheid. Ondertussen zou ik het wel uit kunnen schreeuwen: “Kijk dan! Die pootjes en dat kleine kopje!” Bijna kan ik zoveel schattigheid niet aan maar ik hou me stil.
Zij kijken ook naar mij en ik probeer met mijn houding te communiceren dat ik ze geen kwaad zal doen. Dat ik weliswaar een groot, lomp dier ben maar totaal ongevaarlijk. Sterker nog, ik doe er alles aan om te zorgen dat ze hun kroost groot kunnen brengen. Zo is er een net gespannen onder het kastje, om mijn loerende minitijgers tegen te houden. Die horen met hun scherpe gehoor de mezenbabies piepen, iets dat ik ook tevergeefs probeer. Is het geluid zo zacht of worden mijn oren te oud? Papa en mama tolereren mij. Helemaal vertrouwen doen ze het niet maar ze moeten door. De drang om die kleine wezentjes in dat hokje te voeren is groter dan zijzelf. Groter dan hun angst voor dat gekke mens.
De mussen in de appelboom lijken intussen enorm groot en schreeuwerig. Niet eerlijk natuurlijk, want die zijn ook eigenlijk best schattig en klein. Maar vergeleken bij het elegante pimpeltje is bijna elke vogel ordinair. Daar kun je het gewoon niet van winnen.
Elke dag kijk ik of er wel gevoerd wordt. Als een bezorgde oma. Wat zal ik blij zijn als we een paar weken verder zijn en de kinderen uitgevlogen zijn. Je moet er toch niet aan denken dat pa of ma het loodje legt en dat de ander het voeren in z’n uppie moet doen. Ze schijnen dan zo hard te moeten werken dat ze het niet overleven, inclusief de kleintjes. Als de sentimentele muts die ik ben kan ik bij het idee alleen al janken. Getverdemme, wat kan de natuur toch hard zijn.
Voorlopig wisselt het echtpaar elkaar nog af. Als het koppie van de één nog uit het hokje steekt, zit de ander al klaar op het tuinhek ernaast met een overvolle snavel. Kon ik ze maar helpen. Rupsen voor ze zoeken, fijnprakken en in de kleine bekjes stoppen. Maar ik doe niets want ik weet dat menselijk ingrijpen altijd afstevent op een drama. Genoeg voorbeelden op dit moment. Dus ik laat ze maar, dat mezenpaar, die kunnen het prima af zonder mij.

Foto: Martha de Jong-Lantink
Ontdek meer van Scillie
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.