3 reacties

Zonder stroom

Als lid van de havermelk-elite (hoewel ik daar strikt gezien misschien niet helemaal meer bij hoor) deed ik havermoutvlokken en havermelk in een kommetje voor mijn ontbijt. Ik wilde het kommetje juist in de magnetron zetten toen opeens ‘plop’ alle stroom uitviel. Het was precies 9 uur. Dat wist ik omdat ik dat nog net op het klokje van de magnetron had gezien voordat deze uit ging. De datum drong tot mij door en ik besefte dat ik hierover een brief had gehad: onderhoud aan het elektriciteitsnetwerk. Maar zoals altijd was ik het even vergeten. Niet in mijn agenda gezet. Ik zocht in het donker naar de brief maar die had ik natuurlijk al weggegooid omdat ik dacht dat ik het wel zou onthouden. Wat ik nooit doe maar wel altijd denk dat ik dat kan. Wat ik wel had onthouden was dat het de hele dag kon duren, afhankelijk van wat ze tegen zouden komen.

Daar zat ik dan met mijn rauwe kom havermout. Alles waar ik het papje mee had kunnen verwarmen werkt op stroom. Dan maar beschuit.  Er was gelukkig wel al koffie dus ik schonk mezelf een grote mok in en wilde wat werken op mijn laptop. Helaas was de accu bijna leeg. Bovendien deed de wifi het niet. Gelukkig deed mijn telefoon het nog wel. Koffie had ik nodig, meer koffie! Maar het was op en… nouja… elektriciteit hè.

Nu ben ik een echte kampeerder en heb ik een complete uitrusting om op minimaal niveau te overleven. Dus overwoog ik al de percolator en campinggas tevoorschijn te halen maar helaas had ik geen gemalen koffie en de koffiebonenmolen werkte natuurlijk ook niet. En om de koffiebonen met de hand in de vijzel te pletten ging me iets te ver. Als de nood hoger zou worden kon ik altijd nog een havercappu in de stad gaan halen. Mijn lief had inmiddels al het draagbare zonnepaneel geïnstalleerd om mijn laptop op te laden toen plotseling het hele huis alweer begon te zoemen en piepen als een levend organisme wat gereanimeerd werd. Het deed me weer eens beseffen hoe groot onze afhankelijkheid is van elektriciteit. Op microniveau in huis maar ga maar eens na wat er gebeurt als het overal uitvalt. Ziekenhuizen, drinkwatervoorzieningen, informatievoorzieningen… En wederom nam ik me voor om een prepper te worden. Wederom, omdat ik dat al minstens vijf jaar roep maar het tot nu toe nog niet heb gedaan.

Mijn gedachten gingen verder. Hoe zou het zijn als de supermarkten leeg waren. Waar zouden we op overleven. Zelf heb ik wel wat kennis in huis over planten die je in het wild kunt plukken om eten. En zo ik die kennis niet paraat heb: ik heb een boekenplank vol met boeken over wildplukken en geneeskrachtige kruiden. Maar ik vrees voor generaties na mij die nog afhankelijker zijn van al hun apparaten, hun bloemkool in een zakje kopen en al hun kennis van het wereld wijde web hebben. Hebben zij nog kennis van en boeken over overleven? De eerlijkheid gebiedt me dat ik ook liever iets google dan dat ik mijn boeken induik.

Er ging onlangs dit filmpje rond van een jonge gast die vond dat zijn economieleraar hem niets meer kon leren omdat hij zelf zo slim was om met cryptomunten veel geld te verdienen. Wat gaat deze jongen doen als zijn 10K niets meer waard blijken en hij honger heeft. Wordt de mens steeds luier omdat AI alles beter kan en we geen werk meer hoeven te verrichten en niks meer hoeven te leren om mooie kunst te maken of werkstukken samen te stellen? Op het gevaar af als een ouwe lul te klinken die vroeger alles beter vond, vrees ik het ergste voor de toekomstige mens. Toch heb ik ook hoop. Er zijn ook genoeg twintigers die truien breien, kasten maken en genoeg creativiteit in huis hebben om ook zonder stroom nog iets te kunnen. En net zoals het draaien van vinyl nog steeds een ding is onder de havermelk-elite hoop ik dat overleven een coole vaardigheid wordt die ze doorgeven aan hun kinderen.

1 reactie

Bloemkool in een zakje

De liefde voor eten is heb ik van huis uit meegekregen. Mijn moeder kookte erg lekker en ik stond ook vaak bij haar in de keuken. Het was nog niet de tijd van de snelle bezorgdiensten en er werd sporadisch eten afgehaald. Een enkele keer gingen we naar “De Chinees” waar de geijkte bami en nasi gehaald werden met als wilde uitschieter babi pangang of ku lo yuk. Steevast door mijn ouders als ‘koeieloek’ uitgesproken.

Wanneer we met vakantie aan het Gardameer in Italië waren gingen wij altijd één keer uit eten. Want zoals die Italianen forel bereidden, daar kon volgens mijn vader niets tegenop. Om naar het restaurant  te gaan moesten we een eindje de bergen in rijden. Een heel gedoe. Mijn broer en ik waren nog jong en mijn zussen waren al getrouwd en hadden ook al kinderen. De vraag was altijd hoe je die grote familie op tijd bij het restaurant moest krijgen. Maar als we er eenmaal aan een lange tafel zaten was het gezellig en genoten we van de heerlijke vreemde spijzen. Men had ons voor een Italiaanse familie kunnen houden. Drie generaties, druk door elkaar pratend en gebarend en ondertussen werden er  heel wat schalen en glazen geleegd. Het had een scène uit een film van Paolo Sorrentino kunnen zijn (als je nog nooit een film van deze regisseur hebt gezien dan moet je dat vanavond nog doen).

Thuis werd er voornamelijk Hollandse kost gegeten want hoewel mijn vader lyrisch kon zijn over de Italiaanse forel, de spaghetti mochten ze van hem houden. Daar kon hij zijn maal niet mee doen. Hoewel ik al lang niet meer zo kook zoals zij, heb ik de basis geleerd van mijn moeder. Eén van de belangrijkste dingen die ik daarvan meegekregen heb is dat koken over liefde gaat. Liefde voor de mensen voor wie je kookt en liefde voor de producten waar je mee kookt. Die producten moeten vers en van goede kwaliteit zijn. Voorgesneden groente kwam er bij mijn moeder niet in en zelfs nu nog voel ik de afkeuring vanuit het hiernamaals wanneer ik voor het gemak een zakje wokgroente koop. Ook ik snijd het liefst zelf mijn groente. De geuren die er bij vrij komen zijn een deel van de alledaagse magie van het koken. De smaak van een groentesoep van voorgesneden groente uit een zakje haalt het niet bij een soep die gemaakt is van vers gesneden prei, wortel, selderij, paprika en bloemkool. Ieder met zijn eigen structuur en geur.

Hoe anders gaat men tegenwoordig om met voedsel. Mijn kinderen wonen in Amsterdam en de supermarkt in hun buurt verkoopt bijna alleen nog maar voorgesneden groente en samengestelde groentepakketten. Er is geen hele bloemkool te vinden. Daar wordt ik een beetje verdrietig van. Het is misschien gezever van een uitstervende soort maar hoe ver zijn we van de basis geraakt als Albert Heijn bepaalt wat er in mijn gerechten gaat en of ik mijn bloemkool in plakken of roosjes wil.

Gelukkig hebben mijn kinderen en hun partners dezelfde liefde voor eten en ik begrijp het ook wanneer ze zeggen dat ze “helemaal geen zin hebben om een bloemkool te slachten”. Ze hebben het druk met werken en leven. Ze koken anders dan ik, net zo goed als ik niet meer precies zo kook als mijn moeder. Ze weten nog wel hoe een bloemkool eruit ziet, hoe een verse champignon ruikt en ik hoop dat er momenten zijn dat ik in hun gedachten ben als ze het genoegen proeven van het snijden van een pompoen of prei. Het doet me goed om te horen dat ze soms uitwijken naar winkels waar nog verse groente wordt verkocht. Maar ik vrees voor een toekomst waarin nog slechts enkelen weten hoe boerenkool groeit, dat doperwten uit een peultje komen en hoe voedsel echt hoort te ruiken en smaken.

Een reactie plaatsen

Corrigerend ondergoed

Zo rond de feestdagen word ik op de socials bestookt met reclame voor corrigerend ondergoed met als toppunt een corset waar de gemiddelde vrouw in de 17e eeuw niet van op zou kijken. De reclames gaan gepaard met teksten als: ‘Werk je oneffenheden weg’ en ‘verberg je probleemzones’ of ‘voel je sexier en zekerder in je favoriete outfit’. Het shapewear in kwestie varieert van een strakke onderbroek tot aan een compleet pak waarin je ingesnoerd bent van borsten tot dijen. In plaats van baleinen en veters hebben we nu stoffen die de taak van het afknijpen moeiteloos overgenomen hebben. Erger nog zijn de videootjes waarin een vrouw getoond wordt met al haar rollen en bobbels in een zeer tekenend jurkje. Ze doet het ondergoed aan en floeps, ze heeft een figuurtje waar Doutzen Kroes nog jaloers op is. Schaam je als je nog laat zien dat je een buik hebt!

Het enige wat ik denk bij al deze harnassen is: “hoe gaan die vrouwen, die dit dragen, eten met de kerstdagen?” Ooit dacht ik ook mijn buik en billen strakker vorm te moeten geven onder een jurk. Ik kocht een corrigerende broek. Het ding was nauwelijks op een normale manier aan te trekken en al na twee minuten stroopte ik paniekerig het strakke geval van mijn lijf. Ik deed mezelf de belofte dat ik me nooit meer zou laten verleiden tot dit soort martelwerktuigen. Het valt voor mij in de categorie hakken. Ook daarover heb ik lang geleden het besluit genomen dat ik dat mezelf nooit meer aan hoef te doen. Sommige vrouwen wekken misschien de illusie dat er prima te lopen is op die schattige schoenen met 10 centimeter hoge palen eronder. Maar op hakken lopen is altijd een marteling.

Waarom doen vrouwen dit alles toch? Als ik naar video’s kijk van de jaren 70 dan valt mij altijd op hoe alles er losjes bij hing in kleding. De broeken waren soms strak maar de inhoud mocht zijn wat het was. Er waren hippie-soepjurken en zelfs de artiesten in clips hoefden niet bloter-dan-bloot en strakker-dan-strak. Waarom hebben vrouwen zich daarna weer onderworpen aan bewegingsvrijheidbeperkende kleding? Misschien was het ooit van belang om niet af te wijken van het modebeeld omdat je anders geen trouwmateriaal was en een huwelijk je enige optie tot bestaanszekerheid. Maar daar hoeven we ons nu toch niet meer aan te storen?

Waar zijn de BH-verbrandende Dolle Mina’s gebleven? Er is veel te doen om body-positivity maar zodra we kleding aantrekken moeten onze vetrollen wel in een vorm geperst worden die in onze ogen voldoet aan de ‘male gaze’. En ondertussen zitten de corsettendraagsters met buikpijn tijdens de feestdagen aan hun tig-gangendiner en moeten het toetje aan hun neus voorbij laten gaan. Zo niet ik, ik ben gek op eten en trek expres wat wijds aan. Laat maar komen die gangen. Het gaat tot de laatste kruimel op. En als ik iets aan heb wat strakker om het lijf zit? Kijk dan maar goed, ik heb een buik en billen en mijn vetrolletjes hobbelen en bobbelen vrolijk met me mee als me uitleef op de dansvloer. Lang leve het lieve lijf! Ik hoef niet gecorrigeerd. Het enige wat gecorrigeerd moet worden is onze blik op wat mooi is en het belang wat we aan vermeende schoonheid hechten. 

En mocht je als man dit lezen en denken dat het allemaal niet zo erg is dan daag ik je uit om een dag lang shapewear, een beugel-BH en hakken te dragen. Wedden dat je het geen half uur uithoudt? Tough cookies hoor, die vrouwen.

2 reacties

Stilte voor de storm

Het voelt alsof het leven in de wacht staat. Normaal gesproken zou ik rond deze tijd pompoenen uithollen, zorgen dat er heel veel kaarsen in huis waren en ze vroeg op de dag aansteken. Er zou behoefte zijn aan grote pannen linzensoep en appeltaart. Het blijft allemaal een beetje hangen. Niet wetende wat er moet. Het hoort een tijd van terugtrekken in de holen te zijn. Een tijd van opkomende kou, afnemend yang, stormen trotseren en zo. Maar er gebeurt niks en tegelijkertijd zoveel. 

Het is veel te warm voor de tijd van het jaar. Mijn hele leven was zo lekker overzichtelijk ingedeeld in vier seizoenen per jaar. De winter met zijn belofte van sneeuw en ijs. De lente, vol met energieke verwachtingen en ontluikend groen. Een steevast tegenvallende zomer met toch een paar mooie weken en de herfst, een periode van naar binnen keren. Terug in onze huizen. Aan de tuin hoeft niet zoveel meer gedaan, hooguit de laatste bloemen plukken en in een vaasje tussen de pas geraapte kastanjes zetten.

Een rare herfst volgend op een rare zomer die ook te warm was. Mijn lijf is er niet op ingesteld maar ik ben bang dat het zich zal moeten aanpassen. Het wordt steeds duidelijker dat de toekomst minimaal hetzelfde beeld gaat geven en waarschijnlijk nog extremer. Ik moet oppassen voor teveel doemdenken over de toekomst. Het leven is hier en nu en een herfstwandeling zonder jas is toch ook best lekker. 

We leven in de stilte voor de storm. Er staat ons nog wat te wachten ben ik bang. We hebben ons leefklimaat al zo erg verziekt dat er bijna geen ommekeer meer mogelijk is. Men maakt zich druk om een paar klimaatactivisten die etenswaren over glasplaten voor een schilderij gooien en zich eraan vastlijmen maar men vergeet boos te worden op zichzelf en de multinationals die we met zijn allen toestaan om er een zooitje van te maken. We zijn bij wijze van spreken boos op degene die tegen een propje schopt en niet op degene die het propje naast de prullenbak gegooid heeft.

Het gaat alsmaar over de vorm van protest. Mensen doen dingen waar het grote publiek ongemakkelijk van wordt. En ook ik krimp een beetje in elkaar wanneer er een klimaatactivist zich in een talkshow op een tafel vastlijmt en vervolgens stotterend zijn punt maakt. Ongemakkelijk, maar het moet nog veel ongemakkelijker worden. Er is al lang genoeg netjes geprotesteerd maar het helpt niks. Wanneer vrouwen toentertijd fluisterend gevraagd hadden om stemrecht en het recht om te studeren was mijn dochter nu nog steeds gedoemd tot het aanrecht. En ook nu gaat het om onze dochters en zonen. Dus ook al vind je het schandelijk dat het meisje met de parel misbruikt wordt om een punt te maken: luister naar de boodschap en kom zelf ook in actie door je gedrag aan te passen en de volgende keer te stemmen op een partij die impopulaire maatregelen durft te nemen. Want de toekomst gaat hoe dan ook ongemakkelijker dan vandaag worden voor velen.

Een reactie plaatsen

Drammerige heks

Mijn hele leven lang ben ik feminist. Een slordige zeven jaar geleden werd ik veganist. Verder maak ik me druk om het klimaat, doe ik mijn best om geen mensen te kwetsen met mijn taalgebruik en denk ik na over mijn eigen blinde vlekken als het gaat om mijn gedrag. Ook kom ik uit de Randstad en drink ik graag een latte havermelk op een terras. Kortom ik ben een militante heks en een drammerige deugneus die genoegzaam slokjes neemt van haar veel te dure drankje en niks van het platteland snapt en van wie helemaal niks meer mag. Althans, niet naar mijn maatstaven, maar helemaal OK als een bepaald deel van de mensheid mij zo wil noemen.

Toch heb ik me lang niet altijd uit durven spreken over alles waar ik voor sta. Juist door negatieve reacties om mij heen en het framen door anderen. Als je je uitspreekt over de onderwerpen waar je voor staat en donders goede argumenten hebt, krijg je direct allerlei stempels opgedrukt. Je zet jezelf buiten de groep en dat valt niet altijd mee. In het geval van feminisme ging dat nog wel. Daarin vond ik altijd wel medestanders, op wat Bokito’s na en vrouwen die graag  ‘one off the guys’ zijn en zeggen dat je maar wat zeurt. Maar de gemiddelde mens in Nederland vindt het gelukkig wel belangrijk dat vrouwen dezelfde rechten en kansen hebben als mannen.

Toen ik met veganisme begon voelde het alsof ik een last was voor anderen. Als ik bij iemand ging eten piepte ik dat ik zelf wel wat mee zou brengen want o, wee als ze toch eens rekening met mij zouden houden. Ik, die anderen altijd kop en kont vol duwde als ze bij mij kwamen en moeiteloos met alle dieetwensen rekening hield. Sterker nog, vóór het veganisme was ik al 17 jaar vegetariër en maakte ik nog voor anderen wel nog af en toe een vleesgerecht. Iets wat ik me nu niet meer kan voorstellen. In mijn koelkast komt nooit meer een dierlijk product en in mijn pannen komen geen dode beesten meer.

Dat er steeds meer mensen zijn die kiezen voor een plantaardig leven en producten beter te krijgen zijn in de supermarkten maakt het wel gemakkelijker. Hoewel ik vaak nog wel de uitzondering ben is veganisme toch een stuk bekender dan een paar jaar terug. Wanneer ik nu bij iemand ga eten zijn het vaak mensen die ook veganist zijn of er niet afwijzend tegenover staan. Maar het belangrijkste waardoor ik tegenwoordig geen blad meer voor de mond (wel in) neem is dat ik mij realiseerde dat al die hokjes waar men mij in wilde stoppen niets met mij en mijn overtuigingen te maken hadden. Zelfs mijn aanwezigheid alleen al maakt dat mensen over hun eigen keuzes na moeten denken en dat maakt het vaak ongemakkelijk. Dus is het gemakkelijker om mij als irritante betweter weg te zetten.

Prima! Noem mij wat je wil. Ga met mij in discussie en je verliest het van mijn argumenten en als iemand dan als enige reactie heeft dat hij of zij (de ‘hen’ laat ik hier bewust weg omdat deze mensen per definitie wat ruimdenkender zijn) mij een drammerig, militant wijf vindt en extra veel vlees gaat eten dan doen ze maar. Het zegt meer over die persoon dan over mij.

Dat neemt niet weg dat ik iemand die oprecht geïnteresseerd is graag te woord sta, ook al hou je er andere principes op na. Er is ook niemand die zich ten opzichte van mij hoeft te verantwoorden. You do you. Ik hoef niet te weten dat je per week nog maar één stukje dier op je bord legt, wat ook nog eens van biologische afkomst is. Je hebt mijn goedkeuring niet en niet nodig. En nee, ook vegetarisme vind ik niet goed genoeg. Maar ik snap wel waar je staat. Ook ik ben opgegroeid met de gedachte dat het goed was om vlees te eten en dat melk nodig was om gezond te blijven. Alle verhalen die je jezelf en mij vertelt, heb ik ook verteld. Tot ik op een dag mezelf in de spiegel keek en een andere keuze maakte en ik kan alleen maar hopen dat de hele wereld op een dag die keuze maakt en inziet hoe erg het is wat wij met dieren doen en hoe we onze leefomgeving kapot maken. Het begint met de ander niet in een hokje te stoppen en naar elkaar te luisteren.

4 reacties

De kookboeken van mijn overgrootmoeder

Wanneer iemand er niet meer is besef je soms pas dat je diegene nooit meer iets kan vragen. Zo heeft mijn vader altijd gezegd dat zijn grootmoeder ooit kokkin is geweest op de grote vaart naar het toenmalige Nederlands-Indië. Hij zei er altijd direct achteraan dat deze vrouw geweldig kon koken en vooral niet te zuinig was met ingrediënten. Als zij bakte gingen er hele trays eieren en klonten boter doorheen. Daar zal in de zuinige en streng gereformeerde familie van mijn vaders kant met schande over gesproken zijn.

Toen mijn ouders ouder werden en kleiner gingen wonen kreeg ik twee kookboeken die van mijn overgrootmoeder waren geweest. Mijn vader gaf ze omdat hij ze op één of andere manier bij mij vond horen. Iedereen in het gezin waar ik uitkom houdt van lekker eten en koken maar ik was in zijn ogen degene die haar erfgoed voortzette. 

Er valt nauwelijks nog te koken uit de kookboeken, niet in de laatste plaats omdat ik geen dierlijke ingrediënten gebruik en dingen als reuzel mij de rillingen geven. Toch blader ik er af en toe even doorheen. Ik wil haar kennen, meer weten van haar. Lijk ik op haar? Mijn manier van koken waarschijnlijk wel. De gerechten die ik maak zijn altijd rijk gevuld en ik ben niet zo goed in het doen van concessies als het gaat om goede ingrediënten. Het maakt dat ik meer dan gemiddeld uitgeef aan eten en er altijd zoveel in huis is dat er met gemak een paar extra eters kunnen aanschuiven. Hier met nog honger de deur uit? Ik dacht het niet. MacDonalds zal niet rijk worden over mijn rug.

Wat ik ook wil weten is of er op die grote vaart iets gebeurd is wat verborgen moest blijven. Ze was hoogzwanger van mijn opa toen ze trouwde. Mijn hele leven krijg ik al de vraag of ik misschien een deel Chinees of Indonesisch bloed door mijn aderen heb stromen en mijn vader noemde mij als kind Koreaantje. Blijkbaar wekt niet alleen mijn uiterlijk maar ook mijn manier van doen de indruk dat ik iets Oost-Aziatisch in mij heb. Ook mijn dochter is geen witte, Hollandse jonge vrouw om te zien. Best gek aangezien zowel de familie van mijn moeders kant als die van mijn vader uit witte kaaskoppen bestaat.

De kans dat ik ooit meer te weten kom van overgrootje is nihil. Mijn vader is er al een poos niet meer en voor zover hij er zelf al meer van wist heb ik hem er ook te weinig over bevraagd. Natuurlijk zou ik een zoektocht langs stambomen kunnen beginnen maar levert dat op wat ik wil weten? Misschien is weten wat er is al voldoende. Weten dat mijn vader iets in mij zag wat hem aan zijn oma deed denken. Weten dat zij bestond. Hoeveel doet het ertoe wat de samenstelling van mijn bloed is als in ieder geval een deel van haar af komt? Zijn we niet bijna allemaal van gemengde afkomst als je maar ver genoeg teruggaat?

Wel wil ik meegeven aan mensen van wie hun ouders, grootouders of andere oudere familieleden nog in leven zijn dat ze die moeten uithoren zolang het nog kan. Vraag wat je wil weten, of nog niet weet wat je wil weten, voor het te laat is. Als je dat moeilijk vindt kan ik het boek ‘In gesprek met je ouders’ van René Diekstra aanraden. Want waar je ook vandaan komt, wie je voorouders ook waren, je geschiedenis leeft in jou voort.

Een reactie plaatsen

IJsbloemen en kruiken

Mijn ouderlijk huis stond in Amsterdam. Wij woonden op de Kruislaan, vlak achter de Jaap Eden schaatsbaan. Voor Amsterdamse begrippen best een flink huis met hoge plafonds en twee grote tuinen. Zeker als je beseft dat mijn ouders daarvoor met vijf kinderen en oma op een kleine verdieping in de Pijp woonden. Een wijk die nu hip en happening is maar die toen toch een minder goede buurt was. Onze nieuwe, directe buurvrouw was niet zo blij met de komst van dat ‘arbeidersgezin’, zoals ze dat met haar zure pruimenmond uitsprak. Haar man was immers een gepensioneerd ambtenaar. Wanneer iemand nu zegt dat hij ambtenaar is, is dat niet per se een aanbeveling maar toen had dat blijkbaar nog status.

Als klein meisje was ik altijd een beetje bang van deze sjieke mevrouw. Als ik er nu op terugkijk denk ik dat zij en haar man vooral erg ongelukkig waren. Het enige wat ze nog hadden op hun bittere oude dag was de schijn van geld en status en daar kwam dat drukke, vrolijke gezin met hun herrie even een streep door zetten.

Het was een heerlijk maar oud huis. Er waren wastafels in de slaapkamers maar geen badkamer. Mijn vader installeerde een douche in de koude gang, onder de trap naar de eerste verdieping. Er was ook nog een tweede verdieping en daar onder het platte dak was mijn kamer die ik eerst nog deelde met een oudere zus en later voor mij alleen had. Het was er hoog en het stak een beetje uit het gebouw. Wind en kou hadden vrij spel. Van isolatie had niemand nog gehoord.

Alleen in de huiskamer was er een gaskachel. Het hele gezin zat in de winter in een kringetje om de warmtebron. We droogden ons na het douchen af en kleedden ons om voor de haard. Er werd huiswerk gedaan, gelezen, gegeten, kortom: bijna het hele leven speelde zich af in die ene kamer. Wanneer het vroor waren de slaapkamers verschrikkelijk koud. Zo erg dat je jezelf kon zien uitademen en op de ramen stonden ijsbloemen aan de binnenkant. Toch heb ik er alleen maar mooie herinneringen aan. Het gezin was liefdevol en de ijsbloemen vond ik altijd magisch. Dat het ijs zulke mooie patronen vormde was voor mij niet te begrijpen. 

Voor het naar bed gaan stond ik nog even voor de kachel om warm te worden om daarna de twee hoge trappen naar boven rennen met twee kruiken onder mijn armen. Mijn ijskoude bed werd al snel warm door de kruik aan mijn voeten en één tegen mijn buik. Het enige wat ik niet leuk vond was dat de oude houten trap, lang nadat ik eroverheen had gelopen, een krakend geluid maakte alsof er iemand naar boven kwam. Er zal een verklaring voor zijn maar nog steeds ben ik er van overtuigd dat er geesten in het huis rondwaarden. In mijn herinnering was er zelfs een voorval dat mijn moeder door twee dames die aanbelden gewaarschuwd werd dat het er spookte.

De komende winter zullen er door de hoge energieprijzen mensen in de kou zitten en met een beetje geluk één kamer kunnen verwarmen. Die mensen wil ik een hart onder de riem steken. Moge er betere tijden voor jullie komen. Maar weet ook, wanneer je kinderen hebt, dat die er later misschien met liefde op terugkijken. Want de zorgzaamheid van een gevulde kruik en de veiligheid van een liefdevol gezin, daar kan niets tegenop.

Afbeelding van https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Window-Frost.jpg

Een reactie plaatsen

Ze tinderden en leefden nog lang en gelukkig

Tinder bestaat 10 jaar. Als het over online daten gaat komen de commentaren al snel dat het veel leuker is om je levenspartner te vinden in een kroeg of de supermarkt. Dat klinkt fantastisch en het zou heel romantisch zijn. Maar zo werkt dat meestal niet. Niet iedereen is een kroegtijger en de meeste mensen zijn in een supermarkt bezig met hun dagelijkse gepruts en niet met het zoeken van een nieuwe liefde. Misschien ligt het aan mij maar het is me nog nooit overkomen dat ik tegelijkertijd met een knappe man per ongeluk dezelfde krop sla wilde pakken en dat er fltsflatsboem een vonk oversprong en we nog lang en gelukkig leefden.

Er wordt nog al eens besmuikt gedaan over Tinderen. Zeker in mijn leeftijdscategorie en meestal door mensen met een rotsvast geloof dat hun eigen relatie tot in de eeuwigheid zal duren. Gevalletje onbekend maakt onbemind. Zelf heb ik er na de scheiding nooit moeilijk over gedaan dat ik online aan het daten was. Ik vind mezelf prima gezelschap hoor maar na 33 jaar samen geweest te zijn met mijn jeugdliefde voelde alleen zijn wel erg alleen. 

Nadat mijn huwelijk eindigde wilde ik niet zomaar in een nieuwe relatie stappen. Ik was nieuwsgierig naar Tinder en had al snel fijne gesprekken en een paar dates. De ene date was leuker dan de andere. Het viel mij op dat veel mannen de verwachting hadden dat ik meteen met ze ging zoenen of het bed in zou duiken hoewel ik daar vanaf het begin meteen duidelijk over was geweest dat ik dat niet zou doen. De verhalen van de man die meteen begon te vertellen hoe goed hij in bed was en wat hij wel allemaal met mij zou doen laat ik hier maar even achterwege. Eén van de mannen waar ik contact mee had noemde Tinder het afvoerputje van het online daten. Misschien klopt dat deels maar diamanten worden soms ook per ongeluk door afvoerputjes gespoeld. Het  is de kunst om de diamanten tussen de vieze resten uit te pikken. 

Mijn huidige partner was die diamant. We hadden hele gesprekken op de app. Op onze eerste date waren we zo intens aan het kletsen dat in het restaurant waar we zaten wel drie keer iemand aan onze tafel kwam vragen of we wat wilden bestellen en wij de slappe lach kregen omdat we nog steeds de kaart niet hadden ingekeken. We waren het meteen eens over muziek, politiek en van alles en nog wat. De klik was er maar ik was niet meteen tot over mijn oren verliefd en wist nog niet zo goed wat ik wilde. Hij heeft mij het tempo laten bepalen en dat was precies wat ik nodig had. Nu hebben we alweer 3,5 jaar een relatie en wonen we 2 jaar samen en we zijn nog lang niet uitgepraat.

Waren we elkaar in de supermarkt tegengekomen? Waarschijnlijk niet. We woonden niet in dezelfde stad en ook al was dat wel het geval geweest dan hadden we elkaar nooit aangesproken, simpelweg omdat we dat beiden nu eenmaal niet zo gemakkelijk doen. Als we al een praatje hadden gemaakt dan waren we uit elkaar gegaan met de gedachte: goh, wat een aardig persoon. In een café waren we elkaar zeker niet tegengekomen om de eenvoudige reden dat we daar nooit kwamen en zeker niet alleen. 

En stel dat ik daar wel naar toe gegaan zou zijn om ‘op jacht’ te gaan. Was ik dan iemand tegengekomen die zo goed bij mij past? Ik weet zeker van niet. Want de mannen die ik leuk vind, houden van samen op de bank een film kijken, knutselen, lezen of samen tuinieren. Supersaai in de ogen van een deel van de samenleving maar ik vind een man die samen met mij lol heeft om de katten aantrekkelijker dan iemand die elke week biertjes staat weg te tikken in de plaatselijke kroeg.

De conclusie is dus dat er bij anderen misschien prinsen en prinsessen op witte paarden door de Albert Heijn  hupsen maar bij de meeste mensen valt dat nogal tegen. Dus zullen we met zijn allen niet meer zo moeilijk doen over de manier waarop we elkaar tegen zijn gekomen? Ik ben in ieder geval blij dat er op die manier in plaats van een paard met prins, een reus in een volkswagenbusje op mijn pad is gekomen.

Credits uitgelichte afbeelding: https://www.flickr.com/photos/stampinmom/

Een reactie plaatsen

Wie is hier nou de verwende generatie?

Een onbezorgde oude dag, zover ben ik nog lang niet, maar ik maak me steeds meer zorgen of het in de nabije toekomst überhaupt nog mogelijk is. Nog nooit heb ik me er zorgen om gemaakt. Ik heb een klein pensioen en ik spaar. En, zo dacht ik altijd, als ik tegen die tijd het met iets minder toe moet dan is dat niet erg. Als gepensioneerde heb je alle tijd om de aanbiedingen van de supermarkten af te lopen en er een moestuintje op na te houden. Maar de vraag is of mijn geld tegen die tijd überhaupt nog iets waard is en of de verzorgingsstaat er dan nog wel is. Daar heb ik nooit zoveel gedachten aan gewijd omdat het er mijn hele leven was en ik er van uitging dat het altijd zo zou blijven.

De maatschappij wordt Amerikaanser, harder, egoïstischer. Zelfs het recht op betaalbaar wonen is niet meer vanzelfsprekend. Door persoonlijke omstandigheden ben ik niet in bezit van een huis met een gigantische overwaarde maar huur ik een bescheiden optrekje voor een flinke prijs. Bovendien vraag ik me af of je nog wel een huis moet bezitten in een gebied wat met gemak ver onder water komt te staan wanneer we zo doorgaan met onze wereld naar zijn grootje te helpen.

Ik lees op social media berichten van leeftijdsgenoten en mensen die ouder zijn dan ik dat ze de jongere generaties verwend vinden. Dat die jonge mensen niet weten wat werken is en vinden dat ze overal maar recht op hebben. Maar is het niet juist mijn generatie die opgegroeid is in de jaren 60, 70 en 80 die zich verwend gedraagt? Zijn het juist niet de mensen van 50 en ouder die zich gedragen alsof ze overal maar recht op hebben? Vakanties, vliegen, wonen, grote lappen dood dier op de barbeque, schoon drinkwater uit de kraan of er zelfs in badderen. Het lijkt zo vanzelfsprekend.

Zelf heb ik twee volwassen kinderen. Ik zie hoe zij, mijn schoonkinderen en de hele vriendenkring gebukt gaan onder prestatiedruk, studieschuld, de angst om geen betaalbare woning te vinden en op je 30e nog bij je ouders op zolder te moeten bivakkeren en de klimaatcrisis. Natuurlijk hebben generaties voor hen zich ook afgevraagd of ze wel een kind op deze wereld moeten zetten. Oorlogen en crisissen zijn er altijd geweest. Maar de dreiging van een klimaatcrisis van dit niveau was er nog nooit. Wat voor een toekomst hebben ze? Hebben ze straks nog een vrije keuze voor een kinderwens of niet. Hoewel ik het degenen die zich willen voortplanten van harte gun om het ouderschap mee te maken, maakt het me angstig om oma of oudtante te worden. In wat voor een omstandigheden groeit zo’n hummel op.

Ik wil het beter maken, er alles aan doen om mijn kinderen een fijne toekomst te geven maar word er zo moedeloos van als ik generatiegenoten de keiharde feiten over het klimaat hoor ontkennen. Het is zo moeilijk om hoopvol te blijven wanneer je ziet dat mensen die alles willen blijven doen waar ze in hun ogen recht op hebben, liever ongegronde social mediaberichten, complottheorieën, doorgedraaide rappers en populistische politici volgen dan de feiten onder ogen te zien. Ik zou voor ze willen gaan staan, ze door elkaar rammelen, de mist uit hun ogen en het vuil uit hun oren willen spoelen. De gangbare media wantrouwen ze maar obscure websites vol spelfouten, in elkaar geknutseld door Fransje op zijn zolderkamer, vertellen volgens hen wel het echte verhaal. Door grote bedrijven gefinancierde klimaatcrisis-ontkennende wetenschappers en door big agro opgehitste boeren worden geloofd maar een onafhankelijke onderzoeker die onweerlegbare feiten op tafel legt wordt weggehoond. 

Als Don Quichot blijf ik vechten tegen de desinformatie en deel ik berichten die laten zien dat we harder naar de afgrond gaan dan we in de gaten hebben. Dat een leefbare wereld tussen onze vingers aan het doorglibberen is. Maar ik vraag me steeds vaker af hoe zinvol dat is. Toch blijf ik hopen dat iedereen die denkt dat er een soort complot tegen de mensheid is in gaan zien dat de mensen die het voor het zeggen hebben zwaar overschat worden. Er zijn geen complotten, alleen maar incompetente, narcistische leiders en oneindige domheid.

Onze enige en ergste vijanden zijn machtswellust, geld en egoïsme en de enige wapens die ik heb zijn mijn stem en mijn toetsenbord. Een ongelijke strijd, ik hoor het u zeggen, maar het moment dat ik me erbij neerleg is het moment dat ik mijn lichaam verlaat. Voor die tijd hoop ik nog een beetje als gebocheld stokoud kattenvrouwtje in mijn moestuintje te kunnen schoffelen.

Een reactie plaatsen

Vaagtaal? Daar vind ik iets van!

In Zomergasten van 14 augustus jl. had de onvolprezen Lieke Marsman het over vaagtaal. Nu wil ik me zeker niet vergelijken met haar maar ook ik trek als een Don Quichot op mijn stokpaardje nogal eens ten strijde tegen de vaagtaal waar ze het over had.

Naast mijn blog-hobby schrijf ik beroepsmatig ook nogal eens wat. Het is daarbij mijn streven om het vooral kort, bondig en goed leesbaar te houden. Dat houdt in: het vermijden van al te technische termen, lange of samengestelde zinnen vereenvoudigen en geen vaagtaal of mode-uitdrukkingen gebruiken. Natuurlijk vind ik het als taalgeneraal en pennenlikker gewoon heel erg leuk om te doen maar de belangrijkste reden is dat ik wil dat iedereen begrijpt wat ik schrijf.

Het gevolg van begrijpelijk schrijven en het kort houden kan zijn dat het lijkt alsof je als schrijver niet kundig genoeg bent of dat hetgeen je doet gemakkelijk is. Dat snap ik heel goed. Adele zingt zo gemakkelijk, als ik haar hoor zingen dan denk ik ook altijd dat ik dat kan. Zolang ik alleen in de privésfeer zing en daar niemand mee lastig val is dat ook helemaal prima. Als ik maar niet echt ga geloven dat ik goed genoeg ben om op het podium van de Ziggo Dome te kunnen staan. Of welk podium dan ook.

Gebruikers van vaagtaal heb je in categorieën. De verdoezelaar, het gewoontedier, de dwaalspoorlegger en de vroege aanvaarder. De verdoezelaar is iemand die de materie niet helemaal beheerst. Door vaagtaal en ingewikkelde termen te gebruiken denkt de verdoezelaar dat te kunnen verbergen. Het gewoontedier denkt dat vaagtaal moet omdat het altijd al zo gedaan werd. Alle beleids-  en managementstukken worden toch altijd in vage en moeilijke bewoordingen geschreven? Dus dan zal het wel zo moeten, toch? 

De dwaalspoorlegger doet bewust moeilijk en schrijft expres onbegrijpelijk omdat als de lezer het wel zou begrijpen er misschien wel weerstand zou kunnen komen. Zowel de dwaalspoorlegger als de verdoezelaar hopen erop dat de lezer niet assertief genoeg is om te zeggen dat ze er geen donder van begrijpen. Ze hopen dat ze nooit uitleg hoeven te geven, zij het om verschillende redenen. En ze komen er meestal mee weg. Vaagtaal werkt als de kleren van de keizer. Velen zijn bang om als dom te worden gezien of als ongeschikt voor hun werk dus vraagt niemand wat er nou eigenlijk staat.

Dan heb je nog de vroege aanvaarder. De vroege aanvaarder vindt het leuk om nieuwe woorden of uitdrukkingen te gebruiken. Niet zelden is een vroege aanvaarder een manager. Hoe dat komt weet ik niet. Het vermoeden is dat het voortkomt uit managementcursussen of omdat je van nieuwe dingen moet houden om een goede manager te kunnen zijn. Waar het ook vandaan komt: menigmaal heb ik Google erbij moeten pakken om op te zoeken wat een in kantoren rondzingend woord betekent. Zo had ik nog nooit het woord ‘gremium’ horen gebruiken totdat het een aantal jaar geleden opeens overal opdook en het te pas en onpas gebruikt werd. Te onpas omdat gebruikers van een woord wat opeens in de mode is nog steeds op zoek zijn naar de klepel van de klok die ze hoorden.

De laatste jaren hoor je ook steeds dat iemand ‘ergens wel iets van vindt’: “Korte broeken op de werkvloer? Daar vind ik iets van!”. Van die uitdrukking krijg ik jeuk op mijn rug, precies op het plekje waar ik net niet bij kan. Het zet bij mij een niet te stoppen gedachtenstroom aan. Wát vind je er dan van? Vertel het me of niet. Doe niet zo samenzweerderig! Het is alsof iemand me een verrassing belooft die over een maand plaats zal hebben. Verras me of niet maar vertel het me niet van te voren. Misschien is het voor jou voorpret maar mij doe je er geen plezier mee.

Als iemand ergens ‘wel wat van vindt’ is het ook nooit positief: “Deze maaltijd, daar vind ik wel iets van. Echt superlekker joh! Mag ik het recept?” Zo werkt dat dus niet. Onbewust zal ik me er zelf ook wel eens schuldig aan maken. Maar wat ik van vaagtaal vind? Dat lijkt me met bovenstaande wel duidelijk. 

%d bloggers liken dit: