Een reactie plaatsen

Geluk is broos

Geluk is broos. Dat werd mij de laatste tijd weer eens haarfijn duidelijk gemaakt. Aan lange relaties van een aantal lieverds uit mijn omgeving kwam een einde. Met alle partijen had ik heel veel medelijden want of je nu de handdoek in de ring gooit, of je bent degene die hem opvangt, beide moeten een nare tijd door. Als buitenstaander kun je alleen maar een luisterend oor zijn.

Als het een relatie betreft waarbij één van beide een vervelend persoon is dan is het niet zo moeilijk. Draag je beide een warm hart toe dan word je heen en weer geslingerd met je gevoelens en doet het vooral pijn. Het doet pijn om zoveel verdriet te zien.

Dat geluk broos is besefte mijn lief ook weer eens. Niet dat ik plannen had om hem te verlaten. Integendeel: we klampen ons aan elkaar vast als bange aapjes, blij dat we elkaar nog lief vinden. De kinderen en ik hadden aan zijn hoofd gezeurd dat hij toch echt eens een gehoortest moest laten doen. De test wees uit wat wij al heel lang wisten. Hij hoort slecht met één oor in een bepaald gebied met middentonen waar gek genoeg precies mijn stem binnen valt. Je gaat je dan toch afvragen of het toeval is of het resultaat van jarenlange training.

Het werd nodig gevonden om met een MRI te kijken of er misschien iets op de gehoorzenuw drukte. De ochtend van de uitslag kwam hij terug met gebak voor bij de koffie want, zo zei hij: “Stel dat ze ontdekken dat je een ei in je hoofd hebt, dan houdt alles toch op?”

We hebben het die dag gevierd dat er niets in zijn hoofd zit wat er niet hoort. Dan maar af en toe wat minder horen. Wat geeft het. We passen ons wel aan. Dus als je mij ineens een octaaf hoger hoort praten dan weet je waar het aan ligt.

Hij had helemaal gelijk wat betreft het vieren. Wat betreft het gebak trouwens ook. Niet dat je dat elke dag moet eten. Je kunt ook een denkbeeldig gebakje nemen. Om het leven te vieren zolang alles nog goed is, zolang je nog van elkaar houdt en iedereen om je heen gezond is.

Een reactie plaatsen

Kamperen

Ook dit jaar ben ik weer met mijn gezin gaan kamperen. In een gemakkelijk op te zetten tent. Want, zo hadden wij vorig jaar besloten. Het moest allemaal makkelijker, primitiever en met minder bagage. Er zit een grens aan wat je in een auto kwijt kan en die grens zoeken we graag op om er elk jaar weer net niet overheen te gaan. Zo gaan we niet alleen letterlijk grenzen over maar verleggen wij onze grenzen en lopen we automatisch tegen grenzen aan.

De grens van het primitieve heb ik nu denk ik wel bereikt. Na jaren het te hebben tegengehouden lig ik nu met mijn krakkemikkige lijf op een zelf-opblazend matje in plaats van een ook al niet comfortabel luchtbed. Wel een beter en duurder matje dan de rest van het gezin (wat mijn dochter mij graag en vaak verwijtend voor houdt) maar ik vind dat ik dat best verdien.

Na drie weken in en uit een tent kruipen, mijn onderbroek liggend op een dun matje te moeten aantrekken en me te moeten ontlasten en wassen te midden van spinnen, krekels en het aangekoekte vuil van de vele voorgaande kampeerders is mijn grens wat betreft de tijdspanne dat er gekampeerd wordt dan ook bereikt. Het moet wel leuk blijven.

Als ik menigeen vertel dat ik kampeer wordt ik meestal aangekeken met een mengeling van bewondering en spot. “Kampéér jij? O, mij niet gezien. Verschrikkelijk!”. Aanleiding dus om weer diep in mijn zielenroerselen te kijken waarom ik dat eigenlijk doe. Waar een ander zich een paar weken in een duur all-inclusive resort in een ver land laat verwennen, ga ik juist helemaal terug naar het meest basale. De luxe hotelgast pakt slechts een koffertje met zwembroek in en ik sta een dag te buffelen om alles weer te verzamelen en zo klein mogelijk ingepakt te krijgen.

Dus waarom doe ik het mezelf aan? Ik word er een beter mens van. De eerste dagen ben ik nog de opgedraaide perfectionist die elk beestje ongenadig de tentdeur wijst onder het uitroepen van een welgemeend “Huuu” en houd ik de binnentent angstvallig dicht. Naarmate de vakantie vordert kijk ik flegmatiek als een volgevreten kat naar de zoveelste dikke spin die voorbij wandelt. Zo zijn er wel meer dingen waar ik mij aan het eind van de vakantie niet meer zo druk om maak: een T-shirt met een vlekje, drinken uit hetzelfde kopje als gisteravond, koud douchen of de tandpasta vlekken van de ander campingbewoners op de wastafel? Who cares! Heb ik thuis een fijn gasfornuis tot mijn beschikking met 6 pitten en een oven waar met gemak twee flinke pizza’s naast elkaar kunnen liggen? Op de camping weet ik de lekkerste maaltijden klaar te maken op slechts twee branders.

Kom ik thuis, dan ben ik overgelukkig met mijn eigen badkamer, die ook niet altijd even schoon is maar dan is het wel ons eigen vuil. Ik loop mijn keuken binnen, streel mijn mooie zwarte, gladde aanrecht en fijne fornuis en zie hoe geweldig het in plaats van al het werk wat ik er aan heb.

Kortom, kamperen zet voor mij alles weer in perspectief. Ik zie hoe bevoorrecht ik ben en zeur niet meer over kleinigheden. Na een vakantie kan ik weer lachen om dat gespannen elastiekje wat ik vóór die tijd was. Bovenal heb ik dan eenentwintig dagen in constante aanwezigheid van mijn liefsten mogen doorbrengen.

Volgend jaar weer graag.

1 reactie

Pinkassa

Met mijn overvolle boodschappenkar ga ik achter een lange rij voor de kassa staan. “Bij die pinkassa ken je zo aanschuiven hoor, daar staat niemand.” De kleine tanige vrouw, knikt met haar hoofd in de richting van de door haar bedoelde kassa. Ik volg haar hoofdbewegingen en zie dat er niemand achter die kassa zit.

“Ze dwingen je gewoon,” zegt ze samenzweerderig met een zwaar Amsterdams accent. “Bij de Albert Heijn ook al. Straks ken je nergens meer gewoon betalen.” Niet goed wetende wat ik met de situatie moet mompel ik dat het toch best handig is.

“Die jeugd ook, “snuift ze. “Voor een kwartje pinnen ze al.” Hoofdschuddend legt ze haar boodschappen op de band. “En weet je wat het is: als ze eens ergens aan de deur mee komen, mot je toch geld in huis hebben. ” Hier moet ik haar toch gelijk in geven en begin over het parkeren. “O, daar heb m’n man zo een eeeeehhh kaartje voor, zo een hoe heet dat ook alweer, zo een chipding”

Ik leg de spullen uit mijn kar op de band. De kassamedewerkster noemt het bedrag wat de vrouw moet betalen. Ze rommelt wat in haar tas en haalt een er grote portemonnee uit. Ze knipt hem open en begint het geld te tellen. “hoeveel zei je ook weer?,” vraagt ze. Het meisje achter de kassa herhaalt geduldig het bedrag. De vrouw rommelt weer wat en overhandigt een pakketje contant geld. “Moet je er nog wat bij?” Het kassameisje zegt dat twintig cent wel handig zou zijn. Er volgt weer een hoop gegraaf in de enorme portemonnee. Het duurt even en dan kijkt ze weer op. “Heb ik niet.”

Met de rust van een engel geeft het meisje het wisselgeld aan de vrouw en begint aan mijn boodschappen. In een razend tempo werken wij als een op elkaar ingespeeld team de stapel boodschappen weg. Ik stop mijn pinpas in de automaat en ben binnen enkele seconden weer op weg naar de auto.

Een reactie plaatsen

Het dilemma van het volgen

Er is iets waar ik al enige tijd mee in mijn maag zit. Volgen of niet en als je dan volgt moet dat dan tot het einde der tijden of is er een manier om beleefd er mee te stoppen?

Tegenwoordig heb ik het redelijk onder controle. Er zijn voor mij duidelijke grenzen. LinkedIn is voor mijn zakelijke contacten. Twitter is voor iedereen die denkt dat ik het waard ben om te volgen en vice versa en Facebook is voor mijn echte vrienden, familie en andere mensen die ik heel aardig vind. Maar het is precies daar waar het wrikpunt ligt. Het is namelijk niet altijd een duidelijk onderscheid. Soms vind ik een zakelijk contact ook heel aardig en als diegene dan heel enthousiast vraagt of ik ook op Facebook zit dan vind ik dat zo moeilijk om te zeggen dat ik daar alleen intimi op toe laat.

Ook volg je soms mensen die je ooit in een vorig leven hebt ontmoet maar die al lang geen rol meer in je leven spelen. Is er dan een aardige manier om deze mensen uit je lijst te schrappen? Het feit dat het “vrienden” wordt genoemd binnen Facebook maakt het er niet beter op want je zegt dan eigenlijk dat iemand je vriend niet meer is. Waarvan je je moet afvragen of dat in eerste instantie al zo was.

Ik weet wel dat als je iemand ontvriendt dat diegene het niet direct ziet maar na verloop van tijd gaat het toch opvallen. Zeker als je regelmatig iets op je tijdlijn zet. Zo had ik ooit eens iemand via het werk ontmoet die mij direct van Facebook afgooide nadat ze onenigheid had met iemand anders van het werk die toevallig mijn beste vriendin is. Ik kon haar missen als kiespijn maar ik voelde toch enige verontwaardiging toen ik het ontdekte.

Twitter is wat dat betreft wat onpersoonlijker maar ook daar merk ik dat ik soms uit beleefdheid mensen blijf volgen omdat ze mij volgen. Terwijl ik hun berichten hoogst oninteressant vind.

De positieve keerzijde ervan is dat ik ook “oude” vrienden en kennissen nog steeds regelmatig “spreek” die ik in mijn dagelijks leven nooit meer zie. Zoals leuke ex-collega’s of mijn bff van de basisschool.

Misschien moet ik maar eens een vriendelijke en beleefde tekst bedenken die ik de desbetreffende persoon kan toesturen voor dat ik hem of haar definitief uit mijn leven wis. Suggesties zijn welkom.

3 reacties

Oranje


Image
De voetbalwedstrijd is gespeeld. Het is niet goed afgelopen voor Nederland. In het nieuws wordt er even aandacht aan geschonken. In beeld komen een paar supporters die de wedstrijd zojuist in het stadion bekeken hebben. Er worden er een paar geïnterviewd. De verslaggever vraagt: ”Wat ging er mis?”

Bij de eerste man denk ik: “Het moment van conceptie waar jij uit ontstaan bent.” Een stuk of vijf mannen wordt dezelfde vraag gesteld. De één heeft een nog debieler hoofddeksel op dan de ander. Ik zie een groen hoedje met een oranje leeuw, een bonten klomp, een schaatsmuts met vlechtjes eraan en nog veel meer vreemds en ik denk: “Inderdaad, wat ging er mis.” Wat ging er mis ín dat hoofd voordat je dat óp je hoofd zette.

De geïnterviewde mannen zijn allemaal stuk voor stuk brave huisvaders met keurige banen als boekhouder, bankmedewerker, witgoedmonteur, magazijnmedewerker of zoiets. Wat ging er dan mis dat ze zich zo uitdossen? Of lelijke oranje ovenwanten aan hun autospiegels doen. Of plastic oranje vlaggetjes in hun anders zo keurig onderhouden tuinen ophangen?

Goed, ik weet het, ik ben de uitzondering, de outcast, de aliën in deze tijd. Ik houd niet van voetbal of sport in het algemeen. Dat geeft niet, daar zijn er meer van ook al merk je ze niet op tussen dat luidruchtige oranjegeweld. Dat betekent niet dat ik de sportliefhebbers hun plezier misgun. Van mij mag het. Als ze mij maar met rust laten. Maar dat doen ze niet. Waar ik ook kom, ik moet tegen die vieze kleur aankijken. Bij elke winkel waar ik kom krijg ik plastic, oranje troep en een verbaasd gezicht als ik zeg dat ik dat niet hoef.

Een vriend adviseerde mij onder een steen te kruipen en pas tevoorschijn te komen als de hele kermis weer voorbij is. Ik voel er veel voor. Lekker in een hutje in de Pyreneeën, ver van de mensheid, totdat het EK, de Olympische spelen en de tour de France voorbij zijn. Af en toe zou ik naar een Spaanse supermarkt moeten maar daar zou ik geen oranje zien en het scheelt dat ik ze toch niet versta. Zwijgend zou ik mijn karretje voortduwen met daarin voorraad voor een maand. Schichtig de kassamedewerker het bedrag overhandigen wat op het kassadisplay staat om me daarna weer met een stapel boeken terug te trekken op mijn berg.

Helaas is dat niet mogelijk. Er zijn zo van die verplichtingen waaraan ik moet voldoen. Dan maar mijn huis en vooral mijn slaapkamer tot berghut maken. Ik voel mij gesterkt door een opmerkelijk feit: een bevriend kunstenaar heeft aan zijn medekunstenaars gevraagd wat ze met oranje in hun kunst deden en het antwoord was: niets…

(Ultimate painting, Ad Reinhardt)

Een reactie plaatsen

Drie verhaaltjes in tachtig woorden

ImageVoor een wedstrijd van de VPRO schreef ik drie verhalen in 80 woorden. Niet gewonnen maar in dit geval was het meedoen echt belangrijker. Ik vond de uitdaging om een verhaal te reduceren tot de essentie erg leuk.

Oordeel zelf of het mij gelukt is. 

Pet

“Ik ben mijn pet kwijtgeraakt,” zegt hij. “U had toch geen pet op vandaag,” zegt ze. “Nee, hij was in het water gevallen.” “Wanneer dan? Gisteren toen u naar buiten was? “

“Nee, toen ik afscheid van haar moest nemen.” De oude man staart met zijn bleke blauwe ogen in de verte. “Ze was zo mooi, zo lief. Ik stond op het dek en zwaaide naar haar en toen viel mijn pet in het water. Nooit meer gezien. Haar ook niet.”

Asiel

Als ik haar vraag hoe ze hier terecht is gekomen zegt ze: “ik was dertien en ik was bang.” “Niemand sprak mijn taal.”

Meer vertelt ze niet. De angst in haar ogen zegt mij echter genoeg. Ze is nog steeds niet veilig, vecht elke dag voor haar vrijheid in de vorm van een verblijfsvergunning.

Ze doet haar best op school en verwondert zich over haar verwende klasgenoten.

Over China, het land wat haar niet terug wil, praat ze liever niet.

Water

Ze noemt de werelddelen waar ze waarschijnlijk nooit zal komen één voor één op. Haar gedachten dwalen af naar haar neef in Nederland. Hij schreef haar eens dat het water daar uit de muur komt wanneer je maar wilt en dat ieder gezin zijn eigen WC heeft die met schoon drinkwater doorgespoeld wordt.

Ze doet haar best om zich te concentreren maar het lukt niet meer. Terwijl ze boven haar huiswerk in slaap valt denkt ze glimlachend: “stel je voor.”

Een reactie plaatsen

Control freak

In de uitnodiging stond dat ik mijn auto niet bij de evenementenhal kon parkeren dus ik parkeer mijn auto op een parkeerplaats iets buiten de stad. Het vervoer vanaf daar is prima geregeld. Er staan bussen klaar om alle genodigden van daar naar het evenement te vervoeren. Ik stap in één van de bussen. Het is een ritje van maar tien minuten. Onderweg bekruipt me een ongemakkelijk gevoel.

Bijna vijf jaar zal ik geweest zijn. Ik was wat je toen nog een late leerling noemde. Mijn moeder had niet zoveel haast om mij naar de kleuterschool te brengen omdat ik de jongste van de vijf was en zij het nog zo gezellig vond om mij thuis te hebben. Het was toen ook nog niet zo strikt dus hoewel ik in december al vier was geworden ging ik toch pas na de eerstvolgende zomervakantie naar school.

Het regende die dag en ik mocht mijn mooie rode glimmende kaplaarsjes aan. Dat vond ik wel wat. Je wordt nu eenmaal met ijdelheid geboren of niet. Alles ging goed totdat ik in de klas zat en mijn moeder naar huis was. De juf vertelde dat alle kinderen die regenlaarzen aan hadden deze uit moesten doen en hun meegebrachte pantoffels aan moesten doen omdat het niet gezond zou zijn om de hele ochtend met de laarzen aan te lopen.

De paniek sloeg toe. Mijn mooie laarsjes uit? Ik had niet eens pantoffels mee. Moest ik dan op mijn sokken lopen? Ik voelde mij bloot. Hoe moest dat nou als ik naar huis zou gaan en ik kreeg mijn laarsjes niet terug? Die ochtend heb ik denk ik wel tien keer gevraagd of ik mijn laarzen weer aan mocht om steeds weer te horen dat dat pas mocht aan het einde van de ochtend. Juf werd boos. Dat versterkte mijn paniek alleen maar. Het was mijn eerste kennismaking met de onmacht die een control freak overvalt als hij de regie uit handen moet geven.

In de bus onderdruk ik de opkomende paniek. Ik weet dat het onzin is. Als ik dat wil kan ik elk moment van de dag terug naar mijn auto. Maar toch…

Een reactie plaatsen

Vroeger

Toen swingen nog gewoon dansen was

Liepen we in berenvellen in plaats van een jas

Een hipster was nog een onderbroek

En een happy ending was iets uit een sprookjesboek

Vet was alleen de grote eter

Ja, vroeger was echt alles veel beter

Een reactie plaatsen

Moederdag

Het is al lang geleden maar ik weet nog hoe het was. Dat als je trek had een kast opendeed en dat daar precies datgene lag wat je graag lustte. Als het op was dan vulde de voorraad zich op miraculeuze wijze aan. Elke avond lag er lekker eten op mijn bord, geen idee hoe het daar gekomen was. Wanneer de kat een muis had gevangen en half aangevreten op de deurmat had achtergelaten, hoefde je alleen maar hard ‘ieuw’ te roepen en als je dan een uurtje later keek, dan was er geen spoortje van die viezigheid meer te zien. De huiskamer, dat was ook zoiets, hoe goed ik ook mijn best deed om daar een spoor van modder, kleding, tassen en andere troep achter te laten, het bleef er nooit lang liggen.

Je moest er wel een offer voor brengen. Eén keer per jaar offerde je een klein deel van je tijd door een vreemd knutselwerkje te maken. Dat moest van school. Nooit begrepen waarom maar zolang de situatie in stand bleef zoals die was, wilde ik dat best doen. Wel een beetje raar dat die knutselwerkjes een paar weken bleven staan en dan verdwenen om nooit meer terug te keren. Waar ze dan bleven wist je niet. Later werd het makkelijker. Dan hoefde je alleen maar naar de Blokker te gaan om een mooi theekopje te kopen of zoiets.

In ander gezinnen was het wel eens anders. Daar offerden ze wel eens een mixer of een strijkbout en kregen er niet eens zo veel voor terug. Ik begon te denken dat ik misschien wel een prinses was.

Viel dat even tegen toen ik uit mijn ouderlijk huis vertrok. Ik heb het nog even geprobeerd. Dacht nog steeds dat als ik er niet naar keek dat dan de troep of dode dieren vanzelf weg zouden gaan.

Nu, vele jaren, weet ik waar mijn knutselwerkjes gebleven zijn en dat ze niet nodig waren om mijn prettige leventje in stand te houden. Net zo goed als dat ik ook geen cadeautjes van mijn kinderen met Moederdag verlang.

Mijn moeder was huisvrouw en ik kan met geen mogelijkheid aan haar tippen wat betreft het huishouden. Ik heb een hekel aan schoonmaken en opruimen en zou daar ook het liefst een andere mama voor inhuren. Maar mijn prinses en prins hebben een vergelijkbaar gemakkelijk leven hoewel ze daar zelf wel eens anders over denken.

In materiele zin verlang ik niets van ze op deze door de commercie in stand gehouden dag. Ik heb elk jaar maar één wens met Moederdag: een dag vrij.

1 reactie

Bezuinigen

Door grote pech was ik werkloos geworden. Niet leuk, zeker niet in deze duistere crisistijden. Ik prees me echter gelukkig dat ik in dit fijne land woon waar je kunt rekenen op een mooi sociaal vangnet. Zo kwam het dat ik een werkloosheidsuitkering bij het UWV vroeg en ook kreeg. Braaf als ik ben hield ik me aan alle regels, stuurde elk formuliertje keurig en snel terug en solliciteerde ik me suf. Ook al mijn sollicitaties gaf ik keurig door via de slechtste website allertijden, werk.nl.

Geen vetpot, zo een uitkering. Het was nauwelijks toereikend om de bodemloze put te dempen die mijn gezin is. Gelukkig zijn wij niet afhankelijk van mijn salaris alleen dus mij hoorde je daar niet over klagen. Ik ken mensen die het van minder moeten doen.

Twee maanden heeft het geduurd. Ik vond erg leuk werk bij een grote organisatie, precies passend bij wat ik zocht. Wederom was ik een blij en tevreden mens. Keurig meldde ik het direct aan het UWV en stuurde een kopie van mijn arbeidscontract op. Per 1 april had ik weer een baan. Geen grap. Serieus, ik ben een modelburger.

Eind goed al goed, zou je denken. Saai sprookje. Laat die olifant met zijn lange snuit maar komen. Ha, dat had je gedacht. Ik kreeg een alarmerend e-mailtje van mijn ‘servicemedewerker’ bij het UWV dat ze me telefonisch had willen bereiken omdat er in het betaalsysteem stond dat mijn uitkering met terugwerkende kracht per 20 februari zou worden beëindigd. Gelukkig was deze mevrouw wakker genoeg om te bedenken dat dit niet kon kloppen daar mijn contract pas per 1 april zou ingaan.

Nadat ik drie keer met mijn hoofd op het bureau van mijn nieuwe werkgever heb gebonkt en een diepe teug adem heb genomen stuurde ik haar een beleefde e-mail terug. Het beste mens kan er ook niets aan doen.

Ik heb eens zitten rekenen. Bovenstaand gevalletje heeft deze mevrouw bij elkaar een uur arbeidstijd gekost. Wat zou deze lieve dame verdienen? Vijftien euro per uur? Wat kost dat haar werkgever? Dertig euro? En alle overbodige post die ik in die twee maanden heb ontvangen? Ik tel twee keer een formulier met antwoordenveloppe waarop ik moest invullen hoeveel uur ik er bij had gewerkt omdat ik volgens hen iets erbij deed. Wat niet zo is. Toen ik al lang en breed aan het werk was kreeg ik een uitnodiging voor een workshop om mijn sollicitatie-techniek te verbeteren. Ik belde het nummer op de uitnodiging wat je moest bellen als je verhinderd was maar moest het toch weer via werk.nl doorgeven aan mijn e-coach.

Al met al schat ik in dat het UWV op deze manier minstens vijftig euro verspild heeft en dat bij twee maanden werkloosheid. Vermenigvuldig dit met het aantal werklozen. En je komt op een bedrag van 23.250.000 euro uit. Een slordige 11.500.000 per maand. Ik heb mijn berekeningen een paar keer nagekeken. Je gaat toch aan jezelf twijfelen.

Hoeveel kunnen we bezuinigen als we dit soort logge organisaties beter laten functioneren? Ik  ben geen econoom, slechts iemand met een gezond verstand. Wie het weet mag het zeggen maar ik denk: heel veel. Misschien kunnen we met het geld wat we dan overhouden de werkloosheid echt aanpakken.

Image