Een reactie plaatsen

Lachen

Maanden geleden had ik de kaartjes al besteld. Als groot bewonderaar van Nico Dijkshoorn was ik er als de kippen bij toen ik hoorde
dat hij naar mijn woonplaats kwam. Nico Dijkshoorn zou optreden met Ronald Giphart en The Hank Five. Wat ik er van moest verwachten wist ik eigenlijk niet zo goed maar ik verheugde mij op een leuke avond. Eindelijk was het zover. Het was op dezelfde dag als dat Sinterklaas het land in kwam maar ik dacht alleen maar: “Nico Dijkshoorn kom maar binnen met je knecht”.

Ik liep de zaal binnen van het mij zo bekende poppodium waar dit keer stoelen stonden. Op de voorste rij zat ik klaar om alles goed in mij op te kunnen nemen. De mannen kwamen het podium op. Het was nog even stil. Nico sprak zijn eerste woord en daar had je het. Twee rijen achter mij hoorde ik het geluid waar ik van wist dat het mij de hele avond zou irriteren. Dom gegiechel. Er was op dat ogenblik nog niets om te lachen. Niemand in de zaal kon nog weten waar het verhaal naar toe zou gaan maar de geit achter mij begon al te mekkeren. Het was de bedoeling om een bepaalde spanning op te bouwen maar nee, mevrouw had besloten te lachen die avond, dus zou ze lachen en wel vanaf de eerste seconde dat ze Nico Dijkshoorn in het oog kreeg. Dat bleef de hele avond zo. Op momenten dat de hele zaal in gespannen verwachting zat van wat er komen zou of momenten van ontroering hoorde je de lachzak ginnegappen. Naast de ongelooflijke irritatie voelde ik schaamte. Vreselijke plaatsvervangende schaamte voor de respectloosheid.

In alle oprechtheid vraag ik me af wat er in zo een type omgaat. Je hebt er volgens mij in elke zaal, bij elke cabaretvoorstelling wel één bij. Van die mensen die elk moment dat ze de artiest zien spontaan beginnen te proesten. Ze gieren het al uit voordat de beste man of vrouw nog maar de mond kan openen. Hoe voel je je daar nou bij als artiest? Ga je er van naast je schoenen lopen omdat je denkt dat je zo geweldig bent dat elke subtiele blik voldoende is om mensen te doen schateren? Of word je er juist onzeker van en vraag je je dan af wat het er eigenlijk allemaal nog toe doet wat je bedenkt.

De ergernis kreeg gelukkig niet de overhand en ik heb een geweldige avond gehad. De heren Giphart en Dijkshoorn waren goed op dreef. Het was een warme voorstelling die deze mannen duidelijk met veel plezier brengen en ik heb me echt stuk gelachen. Maar wel op de juiste momenten.

Een reactie plaatsen

Leuk

Alles moet altijd maar leuk zijn. Ons werk moet leuk, school moet leuk. We hebben een leuk huis, een leuke man of vrouw. Leuk! Ik maak me er zelf ook schuldig aan. Op de vraag: “bevalt je baan nog steeds,” antwoord ik steevast dat ik erg leuk werk heb en leuke collega’s. Maar het woord “leuk” begint me zo te irriteren. Ook nu ik het zo opschrijf valt het me op wat voor een stom woord het eigenlijk is. Zeg het maar eens een paar keer achter elkaar. Het lijkt best veel op jeuk en dat krijg ik er een beetje van.

Het hele idee er achter vind ik ook zo vervelend. Ik heb het letterlijk gehoord dat iemand zei: “bezuinigen okéééé maar het moet wel leuk blijven.” Leuk? Leuk? Bezuinigen is niet leuk. Als je bezuinigt blijft het niet leuk. Bezuinigen is noodzakelijk om de troep die we er met zijn allen van gemaakt hebben recht te trekken.

Werk? Werk is niet bedoeld om leuk te zijn. Werk is een zakelijke afspraak. Als je één van de gelukkigen bent die werkzaamheden doet die niet al te vervelend zijn of soms zelfs interessant of uitdagend dan ben je een bofkont. Ben je niet zo een mazzelaar? Bedenk dan maar dat er over de hele wereld heel veel mensen zijn die veel ergere dingen moeten doen. Of ze hebben geen werk en zouden dolgraag in jouw schoenen staan. Werkloos? Ga niet op zoek naar een leuke baan bij een leuke werkgever. Dat is er namelijk niet. Alles is per definitie wat je er zelf van maakt.

Voordat ik nou als een ouwe, cynische mopperpot overkom: ik bedoel het positief. Als je de eis laat vallen dat alles leuk moet zijn dan opent er zich een wereld aan mogelijkheden voor je. Dan kun je voldoening halen uit heel andere zaken die misschien wel veel boeiender zijn. Dan kun je bezuinigen opeens zien als iets waar je even doorheen moet maar dat je wel werkt aan een betere toekomst. Of dan kun je voldoening halen uit het feit dat je met het werk wat je doet toch maar mooi je eigen geld verdient. Of dat je wat je doet, zo goed mogelijk doet en schouderklopjes krijgt.

Mijn kinderen hebben bijbaantjes en nee, vakkenvullen en bordenwassen is niet leuk maar ze hebben wel geld genoeg om concerten te bezoeken, extra kleding te kopen, hun hobby’s te bekostigen en allerlei andere dingen er van te doen die ik niet voor hen zou kunnen betalen.

En dat is wél leuk.

1 reactie

Zweverig

Op Facebook deelde ik laatst een boodschap van de Dalai Lama: “Er zijn twee soorten van geluk. Tijdelijk genot voornamelijk afkomstig van materieel comfort en een andere meer duurzame vorm van geluk wat het gevolg is van transformatie en ontwikkeling van de geest. De laatste vorm van geluk is superieur, want als we kalm en gelukkig zijn kunnen we gemakkelijker de ongemakken van het leven aan. Aan de andere kant, als onze geest onrustig is dan kunnen we nog zo veel bezitten maar zullen we nooit echt gelukkig zijn.”

Er werd door een kennis op gereageerd met de uitspraak dat het allemaal wat zweverig was. De zendeling in mij kwam spontaan naar boven en ik voelde de noodzaak om er een blog aan te wijden. Het leuke is namelijk dat het verre van zweverig is. Het is een simpele formule voor het leven waar je echt gelukkiger van wordt als je eenmaal doorhebt hoe het werkt. Het maakt daarbij niet uit wat je omstandigheden zijn. Je hebt niet altijd invloed op datgene wat je overkomt maar met een kalme geest doorsta je alles beter.

Hoe bereik je dan die getransformeerde, ontwikkelde en gekalmeerde geest? Dat is voor iedereen verschillend. Als eerste is het een voorwaarde dat je iets vindt waarmee je je gedachten tot rust kunt brengen. Wel een gezonde bezigheid natuurlijk, ik bedoel niet dat je je lam zuipt of blowt. Voor de één is dat dagelijks mediteren, voor de ander is dat even sporten na het werk. Er zijn veel manieren om dit voor elkaar te krijgen. Als je heel erg rustig wordt van tien minuten staren naar de vogeltjes buiten, hang dan vetbolletjes op en neem elke dag even de tijd om je gevederde vriendjes te bekijken. Persoonlijk word ik erg rustig als ik voldoende aan mijn creativiteit toe kom. Mijn gedachten zweven heerlijk alle kanten op als ik met mijn handen in de klei, marsepein of verf zit. Als het resultaat van mijn inspanningen goed is dan is dat mooi meegenomen maar het is niet het doel.

De tweede stap die je kunt zetten is een heel oud advies: tel tot tien. Elke keer als je boos of verdrietig bent of op één of andere manier negatieve gevoelens krijgt. Wacht met reageren. Vraag jezelf af waarom dat gebeurt, of het terecht is dat je die gevoelens hebt en hoe je die gevoelens kunt leiden zodat je de baas wordt over je gevoelens en gedachten. Dat lukt niet altijd en met deuren slaan lucht ook wel eens op maar je zult merken dat het uiteindelijk constructiever is als je minder explosief reageert.

En verder: wees lief! Het is fijn om een positief en aardig mens te zijn. Train jezelf er in om elke dag iets leuks te doen voor iemand anders. Het hoeft nauwelijks tijd en energie te kosten en je krijgt er veel voor terug. Het zit niet in grote daden  maar in een oprecht geïnteresseerde vraag, een schouderklopje of met een glimlach iemand een welgemeend goedemorgen wensen. Wereldvrede is wat ambitieus maar je maakt je eigen leven en dat van de mensen om je heen een klein beetje mooier.

Een reactie plaatsen

Sokken

Iedereen die regelmatig de was van een gezin doet kent ze. Sokken waar er op onverklaarbare wijze altijd maar één van lijkt te bestaan.

Eerst dacht ik nog dat het aan mijn eigen chaotische huishouden lag maar bij navraag bleken zelfs de grootste netterikken die ik ken een soortgelijk hoopje voettextiel te hebben liggen. Liefkozend heb ik ze een naam gegeven: “The lost socks”. Ze hebben ook een eigen plekje in huis gekregen zodat ik me er niet aan hoef te ergeren dat ze steeds in de weg liggen. Op een plankje naast wat hobbyspullen liggen ze gezellig te wachten tot één van hen zijn partner terugkrijgt. Soms gebeurt dat, dan lag er gewoon één een poosje onder een bed, op een plekje waar je nu eenmaal niet iedere week met de stofzuiger komt. Soms kan ik ineens een hele stapel met elkaar verenigen. Dat is in het geval mijn zoon damesbezoek krijgt en besluit zijn kamer op te ruimen.

Er zijn er ook bij die al heel lang liggen. Tegen beter weten in blijf ik hopen dat ik het andere exemplaar terugvind. Het lukt me maar niet om ze weg te gooien. Ik weet namelijk zeker dat als ik dat wel doe, dat ik dan opeens de andere tegenkom en dan zit ik daar weer mee. Want dan ben ik misschien vergeten dat ik die ene al had weggegooid.

Bovendien: hoe doen ze het? Over het algemeen is de cyclus dat je je sokken ’s avonds uittrekt, ze in de wasmand gooit, je wast ze, vouwt ze samen en doet ze vervolgens weer aan je voeten. Waar gaat het dan mis? Nou is de stap van onderdanen naar wasmand niet voor iedereen even logisch maar dan nog. Voor elke plek in huis is er een moment dat je er komt en de sokken tegen zou kunnen komen. Hoe kunnen ze dan zo van de aardbodem verdwijnen dat je ze nooit meer terug ziet?

Ze zullen wel liggen op dezelfde onbereikbare plaats als waar mijn leuke armbandje ligt wat ik van mijn lief gekregen had en korte tijd later nooit meer gezien heb. Of naast dat ene boek waarvan ik niet meer weet of ik het nou uitgeleend heb. Of bij die ene handige kurkentrekker die al jaren op hetzelfde plekje lag maar nu ineens opgelost lijkt. Of in hetzelfde zwarte gat waar alle andere spullen liggen die ik in de loop van mijn leven ben kwijtgeraakt en waarvan ik zeker weet dat ze ergens in huis moeten zijn. Om gek van te worden.

Toch heeft het ook wel iets als je tussen de wekelijkse zestig sokken, er opeens eentje tegenkomt, waarvan je de wederhelft al als eeuwige eenzame had bestempeld. Dat draagt toch anders, de eerstvolgende keer dat je ze aan doet.

2 reacties

Het lijden wat men vreest

Al eerder heb ik mijn grote voorstellingsvermogen genoemd. Dat komt, ik ben een beelddenker. Ik denk in complete filmpjes. Dat schijnt niet iedereen te doen en daar put ik veel voordeel uit. Het bepaalt voor een groot deel mijn creativiteit. Als ik een lap zie dan zie ik in één flits wat voor een kleding er van gemaakt zou kunnen worden en hoe ik het zou moeten aanpakken. Geef mij een thema voor een taart en ik zie complete Hollywood films aan mij voorbij trekken. Of mijn handen uiteindelijk kunnen vertalen wat er zich in mijn fantasie afspeelt is een tweede. Het leidt ook wel eens tot grootheidswaanzin en dan moet ik weer eens toegeven dat ik toch niet zo geweldig ben als ik zelf wel dacht.

Het levert mij ook op dat ik snel de humor ergens van in kan zien. Op mijn werk stuurde een collega mij de volgende melding: “Ik zit vast in de computer en krijg een blauw scherm.” Direct zag ik in gedachten de vrouw, wild met haar armen zwaaiend, tot haar middel in een azuurblauw beeldscherm vastzitten. Alsof ze in drijfzand was weggezonken.

Soms is het vervelend. Vooral als ik me voorstel wat er voor verschrikkelijke dingen met mijn liefsten zouden kunnen gebeuren. Meer dan eens heb ik mijzelf daarmee tot aan het randje van wanhoop gekregen. Omdat ik bij wijze van spreken in mijn hoofd al de begrafenis van iemand aan het regelen was terwijl de persoon in kwestie slechts een half uurtje later dan normaal was.

Tegenwoordig kan ik mijzelf gelukkig tot de orde roepen. Noem het levenservaring of voortschrijdend inzicht door kennis maar ik bedacht op een dag dat ik zo wel heel veel kostbare tijd verspilde. Tijd waarin nog niets aan de hand was en ik dus naar hartenlust onbezorgd kon zijn. Het leven is nu en hier. Wat er je de volgende seconde te wachten staat weet je niet. Waarom zou je dan de seconde waar je nu in leeft verpesten met gedachten aan nare dingen? Want ook al krijg je met iets vreselijks te maken. Had je het dan kunnen voorkomen door er ver van tevoren angstig voor te zijn? Kun je voorkomen dat je partner bij je weggaat door continue jaloers te zijn? Kun je dood en verderf ver van je vandaan houden door er steeds maar over te piekeren? Nee, dus.

Er zijn vele goeroes en filosofen die over dit onderwerp hebben geschreven en ik heb er een aantal boeken over gelezen maar eigenlijk was dat niet nodig. Ik blijk van een groot filosoof af te stammen. Mijn opa, wie ik helaas niet gekend heb, zei het al: “Een mens lijdt het meest door het lijden wat hij vreest.”

Een reactie plaatsen

Geluk is broos

Geluk is broos. Dat werd mij de laatste tijd weer eens haarfijn duidelijk gemaakt. Aan lange relaties van een aantal lieverds uit mijn omgeving kwam een einde. Met alle partijen had ik heel veel medelijden want of je nu de handdoek in de ring gooit, of je bent degene die hem opvangt, beide moeten een nare tijd door. Als buitenstaander kun je alleen maar een luisterend oor zijn.

Als het een relatie betreft waarbij één van beide een vervelend persoon is dan is het niet zo moeilijk. Draag je beide een warm hart toe dan word je heen en weer geslingerd met je gevoelens en doet het vooral pijn. Het doet pijn om zoveel verdriet te zien.

Dat geluk broos is besefte mijn lief ook weer eens. Niet dat ik plannen had om hem te verlaten. Integendeel: we klampen ons aan elkaar vast als bange aapjes, blij dat we elkaar nog lief vinden. De kinderen en ik hadden aan zijn hoofd gezeurd dat hij toch echt eens een gehoortest moest laten doen. De test wees uit wat wij al heel lang wisten. Hij hoort slecht met één oor in een bepaald gebied met middentonen waar gek genoeg precies mijn stem binnen valt. Je gaat je dan toch afvragen of het toeval is of het resultaat van jarenlange training.

Het werd nodig gevonden om met een MRI te kijken of er misschien iets op de gehoorzenuw drukte. De ochtend van de uitslag kwam hij terug met gebak voor bij de koffie want, zo zei hij: “Stel dat ze ontdekken dat je een ei in je hoofd hebt, dan houdt alles toch op?”

We hebben het die dag gevierd dat er niets in zijn hoofd zit wat er niet hoort. Dan maar af en toe wat minder horen. Wat geeft het. We passen ons wel aan. Dus als je mij ineens een octaaf hoger hoort praten dan weet je waar het aan ligt.

Hij had helemaal gelijk wat betreft het vieren. Wat betreft het gebak trouwens ook. Niet dat je dat elke dag moet eten. Je kunt ook een denkbeeldig gebakje nemen. Om het leven te vieren zolang alles nog goed is, zolang je nog van elkaar houdt en iedereen om je heen gezond is.

Een reactie plaatsen

Kamperen

Ook dit jaar ben ik weer met mijn gezin gaan kamperen. In een gemakkelijk op te zetten tent. Want, zo hadden wij vorig jaar besloten. Het moest allemaal makkelijker, primitiever en met minder bagage. Er zit een grens aan wat je in een auto kwijt kan en die grens zoeken we graag op om er elk jaar weer net niet overheen te gaan. Zo gaan we niet alleen letterlijk grenzen over maar verleggen wij onze grenzen en lopen we automatisch tegen grenzen aan.

De grens van het primitieve heb ik nu denk ik wel bereikt. Na jaren het te hebben tegengehouden lig ik nu met mijn krakkemikkige lijf op een zelf-opblazend matje in plaats van een ook al niet comfortabel luchtbed. Wel een beter en duurder matje dan de rest van het gezin (wat mijn dochter mij graag en vaak verwijtend voor houdt) maar ik vind dat ik dat best verdien.

Na drie weken in en uit een tent kruipen, mijn onderbroek liggend op een dun matje te moeten aantrekken en me te moeten ontlasten en wassen te midden van spinnen, krekels en het aangekoekte vuil van de vele voorgaande kampeerders is mijn grens wat betreft de tijdspanne dat er gekampeerd wordt dan ook bereikt. Het moet wel leuk blijven.

Als ik menigeen vertel dat ik kampeer wordt ik meestal aangekeken met een mengeling van bewondering en spot. “Kampéér jij? O, mij niet gezien. Verschrikkelijk!”. Aanleiding dus om weer diep in mijn zielenroerselen te kijken waarom ik dat eigenlijk doe. Waar een ander zich een paar weken in een duur all-inclusive resort in een ver land laat verwennen, ga ik juist helemaal terug naar het meest basale. De luxe hotelgast pakt slechts een koffertje met zwembroek in en ik sta een dag te buffelen om alles weer te verzamelen en zo klein mogelijk ingepakt te krijgen.

Dus waarom doe ik het mezelf aan? Ik word er een beter mens van. De eerste dagen ben ik nog de opgedraaide perfectionist die elk beestje ongenadig de tentdeur wijst onder het uitroepen van een welgemeend “Huuu” en houd ik de binnentent angstvallig dicht. Naarmate de vakantie vordert kijk ik flegmatiek als een volgevreten kat naar de zoveelste dikke spin die voorbij wandelt. Zo zijn er wel meer dingen waar ik mij aan het eind van de vakantie niet meer zo druk om maak: een T-shirt met een vlekje, drinken uit hetzelfde kopje als gisteravond, koud douchen of de tandpasta vlekken van de ander campingbewoners op de wastafel? Who cares! Heb ik thuis een fijn gasfornuis tot mijn beschikking met 6 pitten en een oven waar met gemak twee flinke pizza’s naast elkaar kunnen liggen? Op de camping weet ik de lekkerste maaltijden klaar te maken op slechts twee branders.

Kom ik thuis, dan ben ik overgelukkig met mijn eigen badkamer, die ook niet altijd even schoon is maar dan is het wel ons eigen vuil. Ik loop mijn keuken binnen, streel mijn mooie zwarte, gladde aanrecht en fijne fornuis en zie hoe geweldig het in plaats van al het werk wat ik er aan heb.

Kortom, kamperen zet voor mij alles weer in perspectief. Ik zie hoe bevoorrecht ik ben en zeur niet meer over kleinigheden. Na een vakantie kan ik weer lachen om dat gespannen elastiekje wat ik vóór die tijd was. Bovenal heb ik dan eenentwintig dagen in constante aanwezigheid van mijn liefsten mogen doorbrengen.

Volgend jaar weer graag.

1 reactie

Pinkassa

Met mijn overvolle boodschappenkar ga ik achter een lange rij voor de kassa staan. “Bij die pinkassa ken je zo aanschuiven hoor, daar staat niemand.” De kleine tanige vrouw, knikt met haar hoofd in de richting van de door haar bedoelde kassa. Ik volg haar hoofdbewegingen en zie dat er niemand achter die kassa zit.

“Ze dwingen je gewoon,” zegt ze samenzweerderig met een zwaar Amsterdams accent. “Bij de Albert Heijn ook al. Straks ken je nergens meer gewoon betalen.” Niet goed wetende wat ik met de situatie moet mompel ik dat het toch best handig is.

“Die jeugd ook, “snuift ze. “Voor een kwartje pinnen ze al.” Hoofdschuddend legt ze haar boodschappen op de band. “En weet je wat het is: als ze eens ergens aan de deur mee komen, mot je toch geld in huis hebben. ” Hier moet ik haar toch gelijk in geven en begin over het parkeren. “O, daar heb m’n man zo een eeeeehhh kaartje voor, zo een hoe heet dat ook alweer, zo een chipding”

Ik leg de spullen uit mijn kar op de band. De kassamedewerkster noemt het bedrag wat de vrouw moet betalen. Ze rommelt wat in haar tas en haalt een er grote portemonnee uit. Ze knipt hem open en begint het geld te tellen. “hoeveel zei je ook weer?,” vraagt ze. Het meisje achter de kassa herhaalt geduldig het bedrag. De vrouw rommelt weer wat en overhandigt een pakketje contant geld. “Moet je er nog wat bij?” Het kassameisje zegt dat twintig cent wel handig zou zijn. Er volgt weer een hoop gegraaf in de enorme portemonnee. Het duurt even en dan kijkt ze weer op. “Heb ik niet.”

Met de rust van een engel geeft het meisje het wisselgeld aan de vrouw en begint aan mijn boodschappen. In een razend tempo werken wij als een op elkaar ingespeeld team de stapel boodschappen weg. Ik stop mijn pinpas in de automaat en ben binnen enkele seconden weer op weg naar de auto.

Een reactie plaatsen

Het dilemma van het volgen

Er is iets waar ik al enige tijd mee in mijn maag zit. Volgen of niet en als je dan volgt moet dat dan tot het einde der tijden of is er een manier om beleefd er mee te stoppen?

Tegenwoordig heb ik het redelijk onder controle. Er zijn voor mij duidelijke grenzen. LinkedIn is voor mijn zakelijke contacten. Twitter is voor iedereen die denkt dat ik het waard ben om te volgen en vice versa en Facebook is voor mijn echte vrienden, familie en andere mensen die ik heel aardig vind. Maar het is precies daar waar het wrikpunt ligt. Het is namelijk niet altijd een duidelijk onderscheid. Soms vind ik een zakelijk contact ook heel aardig en als diegene dan heel enthousiast vraagt of ik ook op Facebook zit dan vind ik dat zo moeilijk om te zeggen dat ik daar alleen intimi op toe laat.

Ook volg je soms mensen die je ooit in een vorig leven hebt ontmoet maar die al lang geen rol meer in je leven spelen. Is er dan een aardige manier om deze mensen uit je lijst te schrappen? Het feit dat het “vrienden” wordt genoemd binnen Facebook maakt het er niet beter op want je zegt dan eigenlijk dat iemand je vriend niet meer is. Waarvan je je moet afvragen of dat in eerste instantie al zo was.

Ik weet wel dat als je iemand ontvriendt dat diegene het niet direct ziet maar na verloop van tijd gaat het toch opvallen. Zeker als je regelmatig iets op je tijdlijn zet. Zo had ik ooit eens iemand via het werk ontmoet die mij direct van Facebook afgooide nadat ze onenigheid had met iemand anders van het werk die toevallig mijn beste vriendin is. Ik kon haar missen als kiespijn maar ik voelde toch enige verontwaardiging toen ik het ontdekte.

Twitter is wat dat betreft wat onpersoonlijker maar ook daar merk ik dat ik soms uit beleefdheid mensen blijf volgen omdat ze mij volgen. Terwijl ik hun berichten hoogst oninteressant vind.

De positieve keerzijde ervan is dat ik ook “oude” vrienden en kennissen nog steeds regelmatig “spreek” die ik in mijn dagelijks leven nooit meer zie. Zoals leuke ex-collega’s of mijn bff van de basisschool.

Misschien moet ik maar eens een vriendelijke en beleefde tekst bedenken die ik de desbetreffende persoon kan toesturen voor dat ik hem of haar definitief uit mijn leven wis. Suggesties zijn welkom.

3 reacties

Oranje


Image
De voetbalwedstrijd is gespeeld. Het is niet goed afgelopen voor Nederland. In het nieuws wordt er even aandacht aan geschonken. In beeld komen een paar supporters die de wedstrijd zojuist in het stadion bekeken hebben. Er worden er een paar geïnterviewd. De verslaggever vraagt: ”Wat ging er mis?”

Bij de eerste man denk ik: “Het moment van conceptie waar jij uit ontstaan bent.” Een stuk of vijf mannen wordt dezelfde vraag gesteld. De één heeft een nog debieler hoofddeksel op dan de ander. Ik zie een groen hoedje met een oranje leeuw, een bonten klomp, een schaatsmuts met vlechtjes eraan en nog veel meer vreemds en ik denk: “Inderdaad, wat ging er mis.” Wat ging er mis ín dat hoofd voordat je dat óp je hoofd zette.

De geïnterviewde mannen zijn allemaal stuk voor stuk brave huisvaders met keurige banen als boekhouder, bankmedewerker, witgoedmonteur, magazijnmedewerker of zoiets. Wat ging er dan mis dat ze zich zo uitdossen? Of lelijke oranje ovenwanten aan hun autospiegels doen. Of plastic oranje vlaggetjes in hun anders zo keurig onderhouden tuinen ophangen?

Goed, ik weet het, ik ben de uitzondering, de outcast, de aliën in deze tijd. Ik houd niet van voetbal of sport in het algemeen. Dat geeft niet, daar zijn er meer van ook al merk je ze niet op tussen dat luidruchtige oranjegeweld. Dat betekent niet dat ik de sportliefhebbers hun plezier misgun. Van mij mag het. Als ze mij maar met rust laten. Maar dat doen ze niet. Waar ik ook kom, ik moet tegen die vieze kleur aankijken. Bij elke winkel waar ik kom krijg ik plastic, oranje troep en een verbaasd gezicht als ik zeg dat ik dat niet hoef.

Een vriend adviseerde mij onder een steen te kruipen en pas tevoorschijn te komen als de hele kermis weer voorbij is. Ik voel er veel voor. Lekker in een hutje in de Pyreneeën, ver van de mensheid, totdat het EK, de Olympische spelen en de tour de France voorbij zijn. Af en toe zou ik naar een Spaanse supermarkt moeten maar daar zou ik geen oranje zien en het scheelt dat ik ze toch niet versta. Zwijgend zou ik mijn karretje voortduwen met daarin voorraad voor een maand. Schichtig de kassamedewerker het bedrag overhandigen wat op het kassadisplay staat om me daarna weer met een stapel boeken terug te trekken op mijn berg.

Helaas is dat niet mogelijk. Er zijn zo van die verplichtingen waaraan ik moet voldoen. Dan maar mijn huis en vooral mijn slaapkamer tot berghut maken. Ik voel mij gesterkt door een opmerkelijk feit: een bevriend kunstenaar heeft aan zijn medekunstenaars gevraagd wat ze met oranje in hun kunst deden en het antwoord was: niets…

(Ultimate painting, Ad Reinhardt)