Een reactie plaatsen

Pispaaltje

In 1972 brachten John Lennon en Yoko Ono een single uit met als titel “Woman is the nigger of the world”. De titel deed het nodige stof opwaaien maar de beste mensen hadden zeker geen racistische bedoelingen met het woord “nigger”. Ze wilden er alleen maar mee zeggen dat vrouwen over de hele wereld onderdrukt worden. Helaas moeten we constateren dat er 40 jaar later nog steeds niet zoveel veranderd is. Ik zou willen dat ik kon zeggen dat de tekst van het liedje zwaar gedateerd is maar dat is het niet.

Als trieste variatie op dit thema bedacht ik laatst het volgende: “Moeder is het pispaaltje van de wereld”. Ik kwam op dit zinnetje toen ik een reclame van Habbo voor de tigste keer zag langskomen. Daarin figureert een overbezorgde moeder die haar zoon steeds een das omknoopt als hij naar buiten gaat. De tekst die er bij hoort gaat als volgt: “Ontmoet je vrienden op Habbo, of chil je liever met je moeder?”. Gelukkig zeiden mijn kinderen meteen dat ze dan liever de laatste optie kozen. Je vraagt je ook af wat daar mis mee is. Ik ben best een leuk persoon om mee te chillen. Er zijn trouwens een heleboel moeders waarmee je naar mijn mening heel fijn kunt chillen.

Ik voelde me erg aangesproken en bedacht dat moeders wel verdomd vaak de pineut zijn. Slinger een tiener een belediging naar zijn hoofd en je hoort terug: “je moeder”. Mannen die elkaar willen beledigen roepen dat ze de ander zijn moeder hebben geneukt.

Schoonmoeders hebben het nog zwaarder. Duizenden grappen zijn er over schoonmoeders en in al die moppen wordt ze als kreng afgeschilderd. Nu ken ik wel een paar exemplaren die je het liefst bij het oud vuil wilt zetten maar ik had toevallig de liefste schoonmoeder die ik me maar kon wensen. Had want jammer genoeg is de schat vorig jaar overleden.

Ook mijn moeder is voor haar schoonkinderen een schat van een mens. Een paar hebben haar zelfs min of meer als moeder geadopteerd omdat ze bij haar de warmte en liefde kregen die hun eigen moeder niet kon opbrengen.

Eén troost voor alle pispaaltjes van de wereld. In tijden van nood roept iedereen, volwassen of niet, om zijn moeder.

John Lennon – Woman is the nigger of the world: http://www.youtube.com/watch?v=OA8N0xy3hjE

 

Een reactie plaatsen

Mama’s groeipijn

Mijn zoon is boos op me. Ik heb iets gedaan wat ik zijn belang achtte maar waarvan ik wist dat hij het niet wilde. Dat was tactloos van me.

Ik deed het omdat ik weet dat hij er beter van wordt. Hij ziet dat anders. Ik probeerde met hem te praten en het uit te leggen, ik zei dat het me speet dat ik tegen zijn  wens in gegaan was maar dat ik geen spijt had dat ik het gedaan had omdat ik nog steeds er van overtuigd was dat het juist was. Dat maakte het niet beter.

Ik legde hem uit aan de hand van een voorbeeld dat een ouder soms moet handelen in het belang van het kind ook al ziet het kind dat op dat moment niet zo. Een kind van anderhalf wat naar een kaarsvlammetje grijpt trek je bij het vlammetje weg omdat jij ziet dat het kind zich zal branden. De dreumes zal echter gaan huilen omdat hij niet begrijpt waarom hij dat mooie glinsterdingetje niet mag hebben. Hij vindt mama niet lief.

Mijn zoon was zo kwaad dat hij niet meer wilde luisteren, vond dat ik buiten mijn boekje was gegaan omdat hij bijna achttien is en riep dat ik het maar uit moest zoeken. Ik riep dat hij het dan ook maar uit moest zoeken. Ik beende weg en smeet de afwas in de machine. Huishoudelijk werk kan soms kalmerend werken. Ineens drong het tot me door wat er eigenlijk aan de hand was. Mijn kind was daadwerkelijk volwassen aan het worden en ik had het niet in de gaten gehad. Voor het eerst zag ik het écht.

Bijna achttien, een boom van een kerel. Het wordt ook tijd dat hij het zelf moet gaan uitzoeken. Het wordt tijd dat ik mij ga terugtrekken. Ook al zie ik dat het niet altijd goed gaat. Het wordt tijd dat hij van mij zijn eigen ervaringen mag opdoen en zijn eigen fouten mag maken. Dat valt niet mee voor mij. Het moet.

Ongetwijfeld zal hij zich een keer pijn doen aan iets wat goud lijkt maar vuur blijkt te zijn.

Het is groeipijn, ook voor mij.

Een reactie plaatsen

Webje

Spinneweb

Een doorkijktent als huis, zacht en teer

Onverwachte verwondering in mijn heg

Vernuftig, geweven, kwetsbaar en sterk

Zie de spin, kent zij ons bestaan?

Een reactie plaatsen

Noten

In het plantsoen achter mijn tuin staat een joekel van een walnotenboom. Al zo lang als ik er woon wacht ik elk jaar rond deze tijd op het moment dat hij zijn schatten laat vallen. Meestal is dat als het goed waait en regent. Niets zo lekker als taart van zelf geraapte walnoten, pasta met walnoten zo van de boom of gewoon op een regenachtige zondagmiddag gezellig, kaarsjes aan, muziekje op, met het gezin noten kraken en peuzelen.

Vervelend dus dat steeds meer buurtbewoners de boom gaan ontdekken. Ik mag namelijk graag denken dat het mijn boom is. Niet alleen ik denk dat. Buren die anders zeer vriendelijk met elkaar omgaan, bekijken elkaar met argusogen als ze elkaar tegenkomen bij de boom. We groeten beleefd als we elkaar op het veldje zien rapen maar van binnen grommen we. Shit, weer te laat.

Erger is het als er kapers op de kust zijn van buiten onze wijk. Ik heb op een middag een buurman en een onbekende vrouw twee uur lang om elkaar heen zien draaien. Dat de vrouw een hoofddoekje droeg maakte het helemaal ondraaglijk voor mijn doorgaans toch zeer vredelievende buurman. “Die lui maken er een puinhoop van,” zei hij, nogal hardop, met een hoofdknik richting de vrouw. “Ach, er is genoeg voor iedereen,” mompelde ik gegeneerd. “Nou, het is anders wel het laatste wat er valt, hoor!, ” antwoordde buurman. We keken allebei omhoog en zagen dat er nog meer dan genoeg noten in de boom hingen. Kennelijk was ik een geduchte tegenstander.

Zelf mag ik menigeen graag een beetje fokken. Gewapend met een grote rode emmer loop ik opgewekt onder de boom door. Met een knal gooi ik elke noot die ik vind in de emmer. “Zo,” roep ik hard: “alwéér één.” Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar de reactie.

Het is niet zo dat ik me geen een zakje walnoten uit de supermarkt kan veroorloven maar dit is toch anders. Het is het oergevoel van zorgen voor de wintervoorraden wat ons, buren, tot ware rivalen maakt. Voor een paar dagen dan. Daarna vinden we elkaar wel weer aardig.

Een reactie plaatsen

Sjans

Vlak voordat ik de snelweg opdraaide kwam er naast mij een auto staan die ik meende te herkennen als de auto van mijn zwager. In de auto zat een man met piekerig blond haar  ruk naar mij te zwaaien. “Dat is hem!” dacht ik en begon enthousiast naar hem terug te  waaien. Nu kan ik, ondanks mijn nieuwe bril, nooit zo goed zien wie er in zo een auto zit.

Na het invoegen haalde ik de auto in en keek naar rechts. De man zwaaide weer even. Bij mij begon er wat te dagen. Dat was mijn zwager niet. Onzeker zwaaide ik nog wat terug. Was het dan iemand anders die ik kende?

De man kwam achter mij rijden en knipperde met zijn lichten. Brr! Wat moest die vent van mij? Even later reed hij weer naast mij en gooide een luchtkus naar me alsof ik een  voortreffelijk gerecht was.

Het behoeft hier geen uitleg dat ik inmiddels mijzelf het liefst in het handschoenenvakje wilde opvouwen van ellende en gêne. Griezelend hoopte ik dat wij door het drukke verkeer van elkaar gescheiden zouden worden, wat gelukkig ook gebeurde.

Thuisgekomen vertelde ik aan mijn zoon en dochter het hele verhaal en hoe naïef hun moeder weer eens geweest was. “Getverdemme, mam! Je had sjans en dat op jóuw leeftijd,” zei mijn zoon en trok een vies gezicht. Beledigd vertelde ik hem dat er laatst nog tot twee keer aan toe met mij geflirt werd door jonge knullen. Pfff, wat dacht hij wel, deze mama kon er nog best mee door.

Had het dan toch wat te maken met die nieuwe bril? Een groot en donker montuur. “Leuk, heel retro,” hadden mijn pubers uitgeroepen toen ik hem net had gehaald. Voor de zekerheid vroeg ik nog even of retro iets goeds was. “Ja, hoor mam, retro is cool,” vertaalden ze voor me.

Blijkbaar ben ik er aantrekkelijker door geworden. Het kan natuurlijk ook zijn dat de bril zo groot is dat je mijn rimpels niet meer ziet. Maar retrobril of niet. Ik hoop die snelwegengerd nooit meer tegen te komen.

Een reactie plaatsen

Koud

Soms kijk ik een avond lang heel bewust naar reclames. Rare hobby, ik geef het toe. Geen mens doet dat voor zijn plezier maar geloof me het is fantastisch zoals producten gepresenteerd worden alsof we tot nu toe maar half geleefd hebben omdat we nog niet van hun bestaan hadden gehoord. Hoe stom konden we zijn dat we dachten dat we zonder kunnen.

Op één avond wordt me in verschillende reclames verteld dat het mijn eigen schuld is dat ik nog steeds met die oude kop rondloop, crème zus of zo helpt echt. Van een bepaalde mascara krijg je wimpers als vlindervleugels. Geloof me, ik heb het geprobeerd maar als je van jezelf vijf wimperharen van 2 millimeter lang hebt dan gaat dat verleidelijk knipperen echt niet lukken.

Mijn echtgenoot moet er ook aan geloven. Kon een man vroeger ongegeneerd de badschuim van vrouwlief gebruiken, nu moet hij “for mén” kopen.
Inclusief een goedje waar hij er weer van uit gaat zien als een jonge god ondanks een avondje stappen. Volgens mij, als mijn lief een feestje heeft gehad, is het enige waar hij weer ontkreukt van raakt: een hele week om tien uur naar bed.

Conclusie: reclames zijn vooral gericht op angst en onzekerheid. Is dat erg? Ja eigenlijk wel. Vooral als we jonge onzekere mensen iets aanpraten alsof het de waarheid is zoals de reclame van Chilly.

Hierin wordt jonge vrouwen wijsgemaakt dat ze een speciaal product nodig hebben om hun vagina schoon en gezond te houden. Sinds wanneer is gewoon wassen met water niet meer genoeg? En waarom staan we toe dat onze meisjes wordt opgedrongen dat ze vies zijn? Nee, waar het boeltje echt van gaat stinken en ziekelijk van wordt is al die inlegkruisjes die ons vrouwen door onze strot zijn geduwd en al dat synthetische ondergoed voor zover dat nog een onderbroek mag heten. Dat verstoort het natuurlijke evenwicht pas goed. Gewoon, een katoenen onderbroek met een normaal kruis en wassen met slechts schoon water en al die troep is niet nodig.

Chilly, het woord alleen al. Koud dus. Brr, ik wil niet eens een koude.

Een reactie plaatsen

Hoer!

Mijn dochter van dertien komt thuis. Strikt op tijd, ze weet dat ik me snel zorgen maak. Ze vindt mij overbezorgd. Ze is een verstandige meid dus heb ik haar meer dan eens uitgelegd dat ik háár wel vertrouw maar de wereld om haar heen niet.

Helaas heeft ze inmiddels vaak moeten ervaren dat ik gelijk heb wat betreft die boze buitenwereld. Zo ook vandaag.

“Ik was weer een hoer, hoor, mam,” zegt ze en ze vertelt hoe ze van haar vriendin op weg naar huis liep en onderweg langs een groepje jongens moest. Zodra ze haar in de gaten kregen begon het gelazer. “Hé, meisje! Hé meisje!” riepen ze. Stoïcijns keek mijn dochter voor zich uit. “Hé, meisje, ben jij een gothic?” ging het verder. “Niet reageren,” dacht ze. En ja hoor daar was het weer: “Hé, HOER!”

“Tja, kind,” zeg ik voor de grap tegen haar: “Je bent ook zó een hoer.” We lachen het samen weg maar van binnen kook ik. Welke rollende, verdroogde erwt in die schedels veroorzaakt dit gedrag. Dat ze haar aandacht willen, snap ik. Mijn dochter is een mooi meisje. Maar welk draadje is er in die grijze massa van ze doorgebrand dat ze het recht denken te hebben om haar zo te behandelen? Ze kleedt zich beslist niet uitdagend maar zelfs als dat wel zo zou zijn. Waar is meer dan 100 jaar feminisme gebleven, dat we hier nog steeds mee te maken hebben?

Minstens drie keer per week komt het voor. Groepjes jongens, volwassen kerels. Dat schelden wel degelijk pijn doet daar zijn we inmiddels wel achter. Over het woord ‘hoer’ kan ik mijn schouders wel ophalen maar de dreiging die er achter ligt maakt me bang. Iemand hoer noemen is een symptoom van iets engers. Het is het bestempelen tot een minderwaardig ding. Iets waar je niet respectvol mee om hoeft te gaan.

De volgende dag roept ze van beneden: “ik ga naar de stad met een paar vrienden hoor mam, doei.” “Dag schat” zeg ik en bid in stilte dat ze haar dit keer met rust zullen laten.

Een reactie plaatsen

Gek, hè

Polsstokhoogspringen? Ik vind het niet geweldig. Overal om mij heen zie ik beelden die er mee te maken hebben. In reclames bijvoorbeeld. Bah! Ik wil er niet steeds mee worden geconfronteerd. Niet dat ik er niet tegen kan maar ik heb er gewoon niks mee. Er zijn veel manieren om polsstokhoogspringen leuker te maken maar het blijft uiteindelijk wel polsstokhoogspringen. En ik wil helemaal niet polsstokhoogspringen, op wat voor een manier dan ook. Ja, heel soms heb ik er wel zin in maar niet vaak. Ik heb genoeg andere dingen te doen en meestal ben ik er ook te moe voor.

Als ik de media moet geloven dan is er iets mis met mij. Het deugt gewoon niet. Als je geen zin hebt dan moet je die maar maken. Uit onderzoek blijkt dat men in Nederland twee keer per week aan polsstokhoogspringen doet. Mijn man zou al blij zijn met 1 keer per maand. Er zijn allerlei hulpmiddelen en therapieën voor maar ook daar voel ik niet veel voor. Ik vind het prima zonder polsstokhoogspringen. Ik hoef niet zo nodig naar de  polsstokhoogspring-oloog.

Raar stukje hierboven hè? Dacht u ook, toen u het las, “laat die vrouw toch” en “polsstokhoogspringen is toch niet verplicht, dan doet ze het toch gewoon niet?”

En als we in plaats van ‘polsstokhoogspringen’, het woordje ‘seks’ invullen. Wat vindt u er dan van? Tja, dan wordt het wat anders, toch? Dan is het in één keer niet meer zo gewoon, toch? Seks is toch lekker, seks hoort erbij! Niet zo preuts hoor. Bloot op TV en billboards moet kunnen. Nou niet de gefrustreerde feministe uithangen. Dan heb je nog nooit een goeie beurt gehad. Ga eens naar een dokter. Neem een pilletje. Doe er wat aan, verzin iets, SEKS MOET!

Je mag hetero-, homo- of biseksueel zijn. Desnoods pijnig je elkaar erbij of doe je het met dieren maar als je aseksueel bent dan ben je niet normaal. Dan moet je naar de therapeut. Of gewoon zin maken….Gek, hè?

Een reactie plaatsen

Feestje

Onlangs was ik op een feestje. Er was daar een heer op leeftijd die vertelde over zijn onderneming. Trots vertelde hij hoe hij op alle social media aanwezig was. “Jahaa, ik doe álles, Hyves, Facebook, Twitter en voor de zaak natuurlijk ook LinkedIn,” zei hij en met een stoere blik pakte hij zijn telefoon en twitterde er druk op los. “Kijk, zo dus,” zei hij en hij liet zien wat hij twitterde. “Erg gezellig feestje” stond er.

Blijkbaar moest ik hem een man van de wereld vinden dus ik bracht er enigszins met moeite een quasi bewonderende “goh!”uit. Kost mij niets en zo’n  man voelt zich weer helemaal de bom.

Aangemoedigd door mijn “goh” ging hij verder. Tja, ik heb natuurlijk niet alleen een IPhone maar ook een IPod en IPad en voor thuis een Mac.

“Het is wat” zei ik nu en hoopte dat ik niet al te ongeïnteresseerd zou overkomen maar ik was nou eenmaal niet echt onder de indruk. Mijn mobieltje stamt nog uit de tijd dat we in berevellen rond liepen. Ik kan er mee bellen en sms-en maar dan hebben we het wel gehad. In feite is hij zo oud dat ik hem met een gerust hart ‘retro’ of ‘vintage’ kan noemen. Ik heb echt niets met al die I-dingen. Sterker nog, ik ben trots op mijn oude beestje. Drie keer van de trap gevallen en hij doet het nog steeds.

Ik onderdrukte een gaap en zag vanuit mijn ooghoeken een ander heerschap naderen. “Einde van het jaar komt er een nieuwe uit,” zei hij en wees met een dikke vinger naar de I-Phone van mijn gesprekspartner. “Zelfde als deze maar dan weer veel beter” en hij liep weer weg.

De man tegenover me keek beteuterd naar het ding in zijn handen, stopte het in zijn binnenzak en zuchtte: “Jij nog iets drinken?”

Een reactie plaatsen

Drie hondjes

Er waren eens drie jonge hondjes. Een witte een rossige en een bruine. Ze zaten al een poosje in het asiel. Dat vonden ze niet fijn dus waren ze door het dolle heen toen er een man kwam die ze meenam naar zijn huis. Hun nieuwe baas was een erg aardige man en ze konden hun geluk niet op. Het eten was weliswaar erg afgemeten maar het was beter dan in het asiel. Het huis waar ze in terecht kwamen zag er heel mooi uit en ze kregen ieder een lekker warm mandje.

De hondjes hadden het ook erg fijn met elkaar. Ze dolden en speelden met volle overgave en intussen deden ze er alles aan om een goede hond voor hun baas te zijn. Ze haalden zijn pantoffels, ze haalden de krant zonder deze aan stukken te scheuren en apporteerden elke bal en stok die de baas gooide.

Toch er was iets geks aan de hand. De hondjes wisten niet beter dan dat apporteren bij hun taken hoorde.  Maar telkens als de baas een balletje gooide of er een takje viel en zij er achteraan renden schopte de baas ze in hun mand. De hondjes begrepen er niks van, hadden zij iets verkeerd gedaan? Keer op keer probeerden zij op een andere manier te apporteren een steeds werden zij terug in hun mand geschopt. Nu waren het geen domme hondjes en na verloop van tijd lieten ze de ballen maar gaan en bedwongen ze de neiging om er achteraan te gaan. De hondjes vonden het niet leuk en werden er een beetje ongelukkig van.

Op een dag kwam er een aardige mevrouw langs. De baas was er niet en de vrouw speelde met de hondjes. “O, wat zijn jullie een lieve en mooie hondjes, ”zei ze. “Ik wil jullie graag allemaal meenemen naar mijn huis maar helaas heb ik maar plaats voor één van jullie.” Het rossige en het witte hondje deden een stap achteruit. Ze wisten dat het bruine hondje  het beste bij de vrouw zou passen en het bruine hondje had het meeste moeite met zich te bedwingen om te apporteren dus ze gunden haar een beter leven. Toch aarzelde het bruine hondje even. Ze had het immers zo gezellig met de andere hondjes en kon ze toch niet in de steek laten? De rossige en de witte duwden het bruine hondje met hun neusjes in de richting van de vrouw. “Ga maar”, zeiden ze: “misschien komt er ook nog weleens een nieuw baasje voor ons.” Het hondje suste haar geweten met de wetenschap dat hun baas een ander hondje uit het asiel zou halen.

Bij haar nieuwe baasje kreeg het bruine hondje het erg goed. Toen ze aankwamen bij het huis stond er een gouden mandje voor haar klaar met daarin een heerlijk zacht kussentje. Er was eten in overvloed en het hondje mocht achter zo veel balletjes rennen als ze zelf wilde. Het bruine hondje miste haar vriendinnetjes wel heel erg maar af en toe ging de vrouw met haar wandelen en dan kwam ze de andere hondjes wel eens tegen. Dan hadden ze weer het grootste plezier.

Op een avond lag het bruine hondje met een rondgegeten buikje, moe maar tevreden van het apporteren in haar warme mandje. Ze overdacht de situatie en zuchtte: “Wat jammer dat mijn vorige baas ons zo behandelde , als hij ons wat meer had laten gaan dat was ik niet met de vrouw meegegaan. Dan had ik genoegen genomen met wat minder eten en een minder mooi mandje.”

En met een diepe denkrimpel in haar voorhoofdje viel ze in slaap.